ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD.16.747 — ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD.16.747 — Conseil d'État
Synthèse de l'arrêt (Faits & Considérants)
Structuré par IARAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING INZAKE DE TOELAATBAARHEID VAN EEN CASSATIEBEROEP nr. 16.747 van 8 juni 2026 in de zaak G/A 247.830/IX-10.932 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Robert Trips kantoor houdend te 9990 Maldegem Mottedreef 10 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie -----------------------...
Regeste / Sommaire juridique
Structuré par IATexte intégral de la décision — ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD.16.747
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING INZAKE DE TOELAATBAARHEID VAN EEN CASSATIEBEROEP nr. 16.747 van 8 juni 2026 in de zaak G/A 247.830/IX-10.932 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Robert Trips kantoor houdend te 9990 Maldegem Mottedreef 10 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het cassatieberoep, ingesteld op 3 april 2026, strekt tot de nie- tigverklaring van beslissing M24-3-1576 van de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders van 5 maart 2026. II. Verloop van de rechtspleging 2. Het cassatieberoep is onderworpen aan de procedure tot toela- ting, bedoeld bij artikel 20, § 2, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, en bij de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Het dossier van de zaak is door de griffie ontvangen op 7 mei 2026. IX-10.932-1/7 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoör- dineerd op 12 januari 1973. III. De toelaatbaarheid A. Eerste middel 3.1. Het eerste middel is genomen “uit een schending van artikel 149 van de Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 31, 1° van de wet van 1 au- gustus 1985 ‘houdende fiscale en andere bepalingen’”. Verzoeker citeert volgende passus uit de bestreden beslissing: “Volgens de vaste rechtspraak van de commissie veronderstelt een ‘ern- stige lichamelijke of psychische schade’ als bedoeld in voormeld artikel, een blijvende arbeidsongeschiktheid of invaliditeit, langdurige tijdelijke ar- beidsongeschiktheid en/of hoog oplopende medische kosten. Een ernstig letsel wordt ook aanvaard indien sprake is van een ernstig psychisch trauma dat deskundig behandeld werd.” Volgens verzoeker motiveert de commissie op geen enkele wijze deugdelijk waarom zij voor het begrip ‘ernstige lichamelijke of psychische schade’ bedoeld in artikel 31, eerste lid, 1°, van de wet van 1 augustus 1985 een zodanig enge bijkomende voorwaarde oplegt: “Immers gaat het klaarblijkelijk om de quasi vereiste van blijvende onge- schiktheid, langdurige tijdelijke schade of hoog oplopende kosten. Op die manier wijkt de commissie af van de wettelijke tekst en van de be- doeling van de wetgever, waardoor zij de draagwijdte van artikel 31, 1° van de wet van 1 augustus 1985 ‘houdende fiscale en andere bepalingen’ mis- kent. Een relatief beperkte maar zeer indringende psychische ontregeling zal in casu kan in concreto ernstig zijn. Verzoeker baseert zich immers op het feit dat de strafrechter reeds signifi- cante schade erkende onder de vorm van 34 dagen tijdelijke persoonlijke - en huishoudelijke ongeschiktheid en morele schade. De morele schade identificeert zich met gevoelens van pijn, smart of enig ander moreel lijden. De vergoeding uit diens hoofde is een vorm van ‘troost’, een compensatie die tot doel heeft dit te lenigen. […] Om deze schade in de administratieve beslissing van de commissie IX-10.932-2/7 principieel als ‘niet ernstig’ te kwalificeren, moet de commissie bijzonder zorgvuldig motiveren waarom de schade niet ernstig zou zijn. Zij laat na dit te doen.” 3.2. Artikel 149 van de Grondwet ziet op de jurisdictionele motive- ringsplicht, die de commissie verplicht om haar uitspraak te motiveren. Aan deze vormvereiste is voldaan wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de rede- nen uiteenzet – al waren ze verkeerd of onwettig – die hem ertoe brengen de be- slissing te nemen. Motieven die een onjuist gevolg verbinden aan een wettelijke be- paling of een rechtsbeginsel, brengen de schending met zich van die bepaling of dat beginsel, maar niet van de rechterlijke motiveringsplicht. Alleen het gebrek aan motivering of de daarmee gelijkgestelde gevallen zoals de tegenstrijdigheid van de motieven, maakt een schending uit van artikel 149 van de Grondwet. 3.3. In de bestreden beslissing overweegt de commissie: - de wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden verleent aan de slachtoffers geen subjectief recht op “schadeloosstelling”, maar wel op het eventueel verkrijgen van een “hulp”, gesteund op het principe van de col- lectieve solidariteit. Uit de aard zelf van de hulp volgt dat de “volledige vergoe- ding” van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd, - bij het beoordelen van een hulp dienen de voorschriften van de artikelen 31, 31bis, 32, 33 en 33bis van de wet van 1 augustus 1985 nageleefd te worden, - luidens artikel 31, eerste lid, 1°, van de wet van 1 augustus 1985 mag de commis- sie een financiële hulp toekennen aan “personen die ernstige lichamelijke of psy- chische schade ondervinden als rechtstreeks gevolg van een opzettelijke geweld- daad”, - volgens de vaste rechtspraak van de commissie veronderstelt een “ernstige licha- melijke of psychische schade” als bedoeld in voormeld artikel, een blijvende ar- beidsongeschiktheid of invaliditeit, langdurige tijdelijke arbeidsongeschiktheid of hoog oplopende medische kosten; een ernstig letsel wordt ook aanvaard indien sprake is van een ernstig psychisch trauma dat deskundig behandeld werd, - het gedrag van beklaagde betrof een aanval op de fysieke integriteit van verzoeker en de commissie erkent dat de voorgedane feiten op dat ogenblik schokkend en IX-10.932-3/7 storend waren voor verzoeker en zijn familie doch zij houdt rekening met de be- perkte gevolgen ervan (bijvoorbeeld geen langdurige arbeids- of blijvende onge- schiktheid, geen langdurige therapeutische behandeling), - gelet op het bovenstaande en het gebrek aan medische stukken waaruit blijkt dat verzoeker een ernstig letsel ten gevolge van de feiten heeft opgelopen, wijst de commissie het verzoekschrift af als ongegrond. Aldus heeft de commissie duidelijk uiteengezet volgens welke gedachtegang zij met toepassing van artikel 31, eerste lid, 1°, van de wet van 1 au- gustus 1985 besluit tot de afwijzing van het verzoekschrift en heeft zij voldaan aan de jurisdictionele motiveringsplicht. In zoverre is het middel kennelijk ongegrond. 3.4. Luidens artikel 3, § 2, 9°, van het cassatieprocedurebesluit moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de cassatiemiddelen [bevatten]”. Onder ‘cassatiemiddel’ moet een voldoende duidelijke omschrijving van de door de be- streden beslissing geschonden rechtsregel of rechtsbeginsel worden begrepen. On- der ‘uiteenzetting’ van het cassatiemiddel moet worden begrepen de wijze waarop die rechtsregel of dat rechtsbeginsel door de bestreden uitspraak wordt miskend. Verzoeker heeft de schending van artikel 149 van de Grondwet aangevoerd in samenhang met artikel 31, eerste lid, 1°, van de wet van 1 augustus 1985. Hij heeft een autonome schending van voormeld artikel 31, eerste lid, 1°, niet aangevoerd. Zelfs indien het middel toch zo moet worden gelezen, heeft hij daarover in de toelichting enkel gesteld dat de commissie de draagwijdte van het artikel miskent. Dat mag de overtuiging zijn van verzoeker, maar volstaat niet als een “uiteenzetting” van een afzonderlijke grief in voormelde zin. In zoverre is het middel kennelijk onontvankelijk. 3.5. Het middel, voor zover ontvankelijk, is kennelijk ongegrond. IX-10.932-4/7 B. Tweede middel 4.1. Het tweede middel is genomen uit de schending “van artikel 149 van de Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 32 § 1, 1° van de wet van 1 augustus 1985 ‘houdende fiscale en andere bepalingen’”: “15. Luidens artikel 32, § 1, van de wet van 1 augustus 1985 dient voor de toekenning van een hulp aan de personen als bedoeld in artikel 31, 1°, van dezelfde wet de commissie te steunen op de volgende bestanddelen van de geleden schade: ‘1° de morele schade’. Tijdens de parlementaire bespreking van artikel 4 van de wet van 26 maart 2003 ‘houdende de voorwaarden waaronder de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden een hulp kan toeken- nen’ dat onder meer artikel 32, § 1, van de wet van 1 augustus 1985 heeft gewijzigd, is uitdrukkelijk verklaard dat ‘morele schade een algemene en gebruikelijke term is, die ook het psychisch en fysisch lijden omvat’, dat de ‘omvang van de morele schade op de eerste plaats moet worden ingeschat aan de hand van de duur en de graad van de tijdelijke en blijvende invali- diteit’ […] 16. Uit wat voorafgaat volgt dat het begrip morele schade ruim moet wor- den geïnterpreteerd en dat het de pijn, de smart of enig ander moreel leed omvat. Bovendien moet de commissie de door de partijen aangevoerde fei- ten en stukken onderzoeken in concreto, zonder dat zij daarbij rekening dient te houden met de (juridische omschrijving) die de partijen aan de fei- ten hebben gegeven. De bestreden beslissing schendt dan ook artikel 32 § 1 van de wet van 1 au- gustus 1985 door de gevorderde hulp voor morele schade af te wijzen op de enkele grond dat de commissie ‘rekening houdt met de beperkte gevol- gen van de voorgedane feiten’. 17. Zij hanteert daarbij klaarblijkelijk de criteria ‘bv. geen langdurige ar- beids- of blijvende ongeschiktheid, geen langdurige therapeutische behan- deling’ die in de wet niet vermeld worden bij de toepassing van artikel 32 § 1, 1°.” 4.2. De commissie erkent “dat de voorgedane feiten […] schokkend en storend waren voor verzoeker en zijn familie”. Dat zij het leed dat verzoeker en zijn familie hebben ondervonden niet opvat als morele schade, berust kennelijk op een verkeerde lezing van de bestreden beslissing. De commissie verwerpt het verzoek evenwel op gemotiveerde wijze omdat de geleden schade niet ernstig is in de zin van artikel 31, eerste lid, 1°, van de wet van 1 augustus 1985. Verzoeker voert tegen dat motief geen gegronde IX-10.932-5/7 wettigheidskritiek aan. Het tweede middel, dat geen kritiek levert op die zelfstandige weigeringsgrond, is niet dienstig en dus kennelijk onontvankelijk. C. Derde middel 5.1. Het derde middel is genomen uit de schending van: “- de formele motiveringsplicht zoals opgenomen in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; - de materiële motiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het rede- lijkheidsbeginsel als beginselen van behoorlijk bestuur.” 5.2. De formelemotiveringswet van 29 juli 1991 is niet van toepas- sing op rechtsprekende organen zoals de commissie, zodat het middel niet ontvan- kelijk is in zoverre de schending wordt aangevoerd van de artikelen 2 en 3 van de formelemotiveringswet. 5.3. De commissie is een rechtsprekend orgaan en geen orgaan van actief bestuur. Als zodanig is zij evenmin onderworpen aan de algemene beginse- len van behoorlijk bestuur zoals de materiëlemotiveringsplicht, de zorgvuldig- heidsplicht en het redelijkheidsbeginsel. Het middel dat ervan uitgaat dat de com- missie de algemene beginselen van behoorlijk bestuur dient na te leven bij het on- derzoek van de aanvraag en bij het motiveren van haar beslissing, faalt naar recht. 5.4. Het derde middel, voor zover ontvankelijk, is kennelijk onge- grond. D. Besluit 6. Uit het onderzoek van het cassatieberoep blijkt dat het niet vol- doet aan de vereisten voor de toelaatbaarheid ervan, bepaald in artikel 20, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. IX-10.932-6/7 BESLISSING: 1. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 26 euro. 3. Bij de publicatie van deze beschikking door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Aldus te Brussel verleend, op acht juni tweeduizend zesentwintig, door: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-10.932-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD.16.747