Legislator European & Swiss Legal Corpus
ECLI:NL:RVS:2026:943 ECLI:NL:RVS:2026:943 AI generated

ECLI:NL:RVS:2026:943 — ECLI:NL:RVS:2026:943 — Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2026:943
Court / Authority
Decision Date
Jurisdiction Netherlands — Case Law (NL)

Decision Summary (Facts, Holding & Outcome)

AI generated

BRS.26.000646 ECLI:NL:RVS:2026:943 Datum uitspraak: 20 februari 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 4 februari 2026 in zaak nr. NL25.57636 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migrat...

Headnote / Official Regeste

AI generated
BRS.26.000646 ECLI:NL:RVS:2026:943 Datum uitspraak: 20 februari 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 4 februari 2026 in zaak nr. NL25.57636 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migrat...

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full Text of the Judgment — ECLI:NL:RVS:2026:943

BRS.26.000646 ECLI:NL:RVS:2026:943 Datum uitspraak: 20 februari 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 4 februari 2026 in zaak nr. NL25.57636 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij brief van 18 november 2025 (verlengingsbesluit), gewijzigd door de brief van 6 januari 2026 (tweede verlengingsbesluit), heeft de minister appellant in kennis gesteld van haar besluit om de overdrachtstermijn met twaalf maanden te verlengen. Bij uitspraak van 4 februari 2026 heeft de rechtbank het door appellant tegen het verlengingsbesluit ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard en het door appellant tegen het tweede verlengingsbesluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. G. van Reemst, advocaat in Utrecht, hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen. De Afdeling neemt de motivering onder 4.3 van de uitspraak van de rechtbank over. 1.1. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). 2. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.C.M. van Trappen, griffier. w.g. Meijer lid van de enkelvoudige kamer w.g. Van Trappen griffier Uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2026 985