Legislator Rechtsdatenbank & Rechtsprechung
ECLI:NL:RVS:2026:994 ECLI:NL:RVS:2026:994 KI-strukturiert

ECLI:NL:RVS:2026:994 — ECLI:NL:RVS:2026:994 — Raad van State

Geschäftsnummer ECLI:NL:RVS:2026:994
Gericht / Behörde
Entscheiddatum
Rechtsordnung Niederlande — Rechtsprechung (NL)

Zusammenfassung (Sachverhalt & Erwägungen)

KI-strukturiert

202504929/2/A2. Datum uitspraak: 4 maart 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), hangende het hoger beroep van: [verzoeker], wonend in [woonplaats], verzoeker, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingspl...

Leitsatz / Regeste

KI-strukturiert
202504929/2/A2. Datum uitspraak: 4 maart 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), hangende het hoger beroep van: [verzoeker], wonend in [woonplaats], verzoeker, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingspl...

Fragen Sie sich, wie dieser Entscheid auf Ihren Fall anwendbar ist?

Prüfen Sie diesen Entscheid zusammen mit Bundesrecht, kantonalen Erlassen, Kommentaren und Folgeentscheiden in Legislator AI.

Fall in Legislator öffnen →

Volltext des Entscheids — ECLI:NL:RVS:2026:994

202504929/2/A2. Datum uitspraak: 4 maart 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), hangende het hoger beroep van: [verzoeker], wonend in [woonplaats], verzoeker, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 22 augustus 2025 in zaak nr. 25/14250 in het geding tussen: [verzoeker] en het college van burgemeester en wethouders van Hattem. Procesverloop [verzoeker] heeft bij brief van 5 maart 2025 beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het niet tijdig aanbieden van een woning door het college. Bij uitspraak van 22 augustus 2025 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard om van het beroep kennis te nemen. Tegen deze uitspraak heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft de zaak op een zitting behandeld op 18 november 2025, waar [verzoeker] en het college, vertegenwoordigd door M. de Ruiter en S. van den Berg, zijn verschenen. Overwegingen 1. Bij uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:982, heeft de Afdeling op het hoger beroep beslist. Daarmee is aan deze procedure een einde gekomen en wordt geen voorlopige voorziening getroffen. 2. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Rietveld, griffier. w.g. De Moor-van Vugt voorzieningenrechter w.g. Rietveld griffier Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026 1064