Legislator Rechtsdatenbank & Rechtsprechung
ECLI:NL:RVS:2026:964 ECLI:NL:RVS:2026:964 KI-strukturiert

ECLI:NL:RVS:2026:964 — ECLI:NL:RVS:2026:964 — Raad van State

Geschäftsnummer ECLI:NL:RVS:2026:964
Gericht / Behörde
Entscheiddatum
Rechtsordnung Niederlande — Rechtsprechung (NL)

Zusammenfassung (Sachverhalt & Erwägungen)

KI-strukturiert

BRS.25.002588 ECLI:NL:RVS:2026:964 Datum uitspraak: 23 februari 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 30 oktober 2025 in zaak nr. 24/14806 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migrati...

Leitsatz / Regeste

KI-strukturiert
BRS.25.002588 ECLI:NL:RVS:2026:964 Datum uitspraak: 23 februari 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 30 oktober 2025 in zaak nr. 24/14806 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migrati...

Fragen Sie sich, wie dieser Entscheid auf Ihren Fall anwendbar ist?

Prüfen Sie diesen Entscheid zusammen mit Bundesrecht, kantonalen Erlassen, Kommentaren und Folgeentscheiden in Legislator AI.

Fall in Legislator öffnen →

Volltext des Entscheids — ECLI:NL:RVS:2026:964

BRS.25.002588 ECLI:NL:RVS:2026:964 Datum uitspraak: 23 februari 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 30 oktober 2025 in zaak nr. 24/14806 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 26 april 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om de moeder van appellant een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen. Bij besluit van 23 augustus 2024 heeft de staatssecretaris het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 30 oktober 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. J. Roose, advocaat in Tilburg, hoger beroep ingesteld. Appellant heeft een nader stuk ingediend. Overwegingen 1. Het hoger beroep richt zich niet tegen de uitspraak van de rechtbank. Appellant legt namelijk niet uit waarom de uitspraak van de rechtbank volgens hem niet juist is. Daarom kan de Afdeling geen inhoudelijk oordeel geven over het hoger beroep (artikel 85 van de Vw 2000). 2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. K. Veen, griffier. w.g. Sevenster lid van de enkelvoudige kamer w.g. Veen griffier Uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2026 986