ECLI:NL:RVS:2026:96 — ECLI:NL:RVS:2026:96 — Raad van State
Zusammenfassung (Sachverhalt & Erwägungen)
KI-strukturiertBRS.25.001133 ECLI:NL:RVS:2026:96 Datum uitspraak: 12 januari 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 20 augustus 2025 in zaak nr. NL25.37378 in het geding tussen: [appellant] en de minister van Asiel e...
Leitsatz / Regeste
KI-strukturiertVolltext des Entscheids — ECLI:NL:RVS:2026:96
BRS.25.001133 ECLI:NL:RVS:2026:96 Datum uitspraak: 12 januari 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 20 augustus 2025 in zaak nr. NL25.37378 in het geding tussen: [appellant] en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 7 augustus 2025 heeft de minister appellant in bewaring gesteld. Bij uitspraak van 20 augustus 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. S.C. van Paridon, advocaat in Rotterdam, hoger beroep ingesteld. De minister heeft een nader stuk ingediend. Overwegingen 1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). 1.1. Het hoger beroep gaat namelijk over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraak van 11 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5945, onder 4.1 tot en met 4.7, over de omvang van het geding wanneer er sprake is van opvolgende maatregelen van bewaring). Het hoger beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen. 2. De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier. w.g. De Moor-van Vugt lid van de enkelvoudige kamer w.g. Weber griffier Uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2026 846-1111