ECLI:NL:RVS:2026:957 — ECLI:NL:RVS:2026:957 — Raad van State
Zusammenfassung (Sachverhalt & Erwägungen)
KI-strukturiertBRS.26.000159 ECLI:NL:RVS:2026:957 Datum uitspraak: 23 februari 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 8 januari 2026 in zaak nr. NL25.63683 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migrati...
Leitsatz / Regeste
KI-strukturiertVolltext des Entscheids — ECLI:NL:RVS:2026:957
BRS.26.000159 ECLI:NL:RVS:2026:957 Datum uitspraak: 23 februari 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 8 januari 2026 in zaak nr. NL25.63683 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 26 augustus 2025 heeft de minister appellant in bewaring gesteld. Bij uitspraak van 8 januari 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. D. Matadien, advocaat in Rotterdam, hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1. De uitspraak van de rechtbank gaat over het voortduren van de maatregel van bewaring (artikel 96 van de Vw 2000). Hiertegen kan geen hoger beroep worden ingesteld (artikel 84, aanhef en onder a, van de Vw 2000). 1.1. Wat appellant in hoger beroep aanvoert, is geen reden om het hoger beroep toch in behandeling te nemen. Het verbod op hoger beroep kan alleen worden doorbroken als er geen eerlijk proces is geweest. Dit doet zich hier niet voor. 2. De Afdeling is onbevoegd van het hoger beroep kennis te nemen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Nederhoff, griffier. w.g. Sevenster lid van de enkelvoudige kamer w.g. Nederhoff griffier Uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2026 918-1085