Legislator Rechtsdatenbank & Rechtsprechung
ECLI:NL:RVS:2026:955 ECLI:NL:RVS:2026:955 KI-strukturiert

ECLI:NL:RVS:2026:955 — ECLI:NL:RVS:2026:955 — Raad van State

Geschäftsnummer ECLI:NL:RVS:2026:955
Gericht / Behörde
Entscheiddatum
Rechtsordnung Niederlande — Rechtsprechung (NL)

Zusammenfassung (Sachverhalt & Erwägungen)

KI-strukturiert

BRS.25.002733 ECLI:NL:RVS:2026:955 Datum uitspraak: 23 februari 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 22 december 2025 in zaak nr. NL25.59003 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migra...

Leitsatz / Regeste

KI-strukturiert
BRS.25.002733 ECLI:NL:RVS:2026:955 Datum uitspraak: 23 februari 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 22 december 2025 in zaak nr. NL25.59003 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migra...

Fragen Sie sich, wie dieser Entscheid auf Ihren Fall anwendbar ist?

Prüfen Sie diesen Entscheid zusammen mit Bundesrecht, kantonalen Erlassen, Kommentaren und Folgeentscheiden in Legislator AI.

Fall in Legislator öffnen →

Volltext des Entscheids — ECLI:NL:RVS:2026:955

BRS.25.002733 ECLI:NL:RVS:2026:955 Datum uitspraak: 23 februari 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 22 december 2025 in zaak nr. NL25.59003 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 29 juli 2025 heeft de minister appellant een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd. Bij uitspraak van 22 december 2025 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard om van het opnieuw daartegen door appellant ingestelde beroep kennis te nemen. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. F.W. Verbaas, advocaat in Alkmaar, hoger beroep ingesteld. Appellant heeft nadere stukken ingediend. Overwegingen 1. De grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank over een vrijheidsbeperkende maatregel (artikel 56 van de Vw 2000). De rechtbank heeft overwogen dat er geen wettelijke grondslag bestaat om de voortduring van de vrijheidsbeperkende maatregel te toetsen, dat appellant bij de minister een verzoek om opheffing van die maatregel kan indienen en dat daartegen bezwaar en beroep openstaat. Tegen dat oordeel kan geen hoger beroep worden ingesteld (artikel 84, aanhef en onder a, van de Vw 2000). 1.1. Wat appellant in het hoger beroep aanvoert, is geen reden om het hoger beroep toch in behandeling te nemen. Het verbod op hoger beroep kan alleen worden doorbroken als er geen eerlijk proces is geweest. Dit doet zich hier niet voor. 2. De Afdeling is onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.S. van den Oosterkamp, griffier. w.g. Sevenster lid van de enkelvoudige kamer w.g. Van den Oosterkamp griffier Uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2026 941-1151