Legislator Rechtsdatenbank & Rechtsprechung
ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD.16.750 ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD.16.750 KI-strukturiert

ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD.16.750 — ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD.16.750 — Conseil d'État

Geschäftsnummer ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD.16.750
Gericht / Behörde
Entscheiddatum
Rechtsordnung Belgien — Rechtsprechung (BE)

Zusammenfassung (Sachverhalt & Erwägungen)

KI-strukturiert

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 16.750 van 11 juni 2026 in de zaak A. 247.076/VII-43.134 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Nina Jacqmin kantoor houdend te 1080 Brussel Piersstraat 39 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------...

Leitsatz / Regeste

KI-strukturiert
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 16.750 van 11 juni 2026 in de zaak A. 247.076/VII-43.134 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Nina Jacqmin kantoor houdend te 1080 Brussel Piersstraat 39 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------...

Fragen Sie sich, wie dieser Entscheid auf Ihren Fall anwendbar ist?

Prüfen Sie diesen Entscheid zusammen mit Bundesrecht, kantonalen Erlassen, Kommentaren und Folgeentscheiden in Legislator AI.

Fall in Legislator öffnen →

Volltext des Entscheids — ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD.16.750

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 16.750 van 11 juni 2026 in de zaak A. 247.076/VII-43.134 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Nina Jacqmin kantoor houdend te 1080 Brussel Piersstraat 39 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 19 januari 2026, strekt tot de cassatie van arrest nr. 338.013 van 17 december 2026 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 30 januari 2026 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. Eerste onderdeel van het enige middel: “Onvolledige motivatie wat betreft het bezit van een AMKA-nummer en de toegang tot de gezondheidszorg en de arbeidsmarkt” 1. Verzoeker verwijt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat hij “geen rekening [heeft gehouden] met de objectieve informatie en argumenten vervat in de aanvullende nota van 9 oktober 2025”. Verzoeker benadrukt dat hij “niet kan werken zonder een AMKA-nummer en dat hij zijn AMKA evenmin kan activeren zonder een arbeidscontract” VII-43.134-1/12 en dat hij “[b]ij terugkeer naar Griekenland […] geen toegang [zal] hebben tot de gezondheidszorg, aangezien hij geen arbeidsovereenkomst of bewijs van verblijf kan voorleggen”. Doordat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet ingaat op verzoekers argumenten, zoals uiteengezet in de aanvullende nota, schendt hij de jurisdictionele motiveringsplicht. 2. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzet – al ware die redengeving verkeerd of onwettig – die hem ertoe brengt de beslissing te nemen. Tegenstrijdige motieven heffen elkaar op en leiden aldus tot een gemis aan motivering. 3. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen citeert in het bestreden arrest zijn met toepassing van artikel 39/73 van de vreemdelingenwet genomen beschikking van 26 augustus 2025, waarin hij met betrekking tot verzoekers verblijfsdocumenten overweegt: “Volgens de gegevens in het administratief dossier werd verzoeker op 23 februari 2022 de vluchtelingenstatus toegekend in Griekenland en verkreeg hij er tevens verblijfsdocumenten als statushouder […]. Hij brengt geen concrete gegevens of verifieerbare elementen bij die wijzen op een intrekking of opheffing van de hem verleende status, noch bevat het administratief dossier enige concrete aanwijzing in die zin. […] Verzoeker stelt voorts dat hij niet meer over een geldige Griekse verblijfsvergunning beschikt, aangezien deze vergunning slechts drie jaar geldig is en verzoeker op 23 februari 2022 internationale bescherming in Griekenland heeft verkregen. Hij stelt dat hij bijgevolg niet over een AFM-nummer of AMKA-nummer beschikt, wat hem zou blootstellen aan aanzienlijke obstakels om toegang te krijgen tot zijn sociale en economische rechten. Uit de door de beide partijen verstrekte informatie blijkt dat de hernieuwing en/of de verlenging van een Griekse verblijfsvergunning (ADET) van begunstigden van een internationale beschermingsstatus die vanuit een andere lidstaat van de Europese Unie naar Griekenland terugkeren uiterst moeilijk is en enkele maanden of zelfs meer dan een jaar kan duren. Als de ADET vervalt, wordt de AFM automatisch gedeactiveerd waardoor een risico ontstaat dat een individu bepaalde rechten verliest, zoals uitkeringen verbonden aan tewerkstelling dan wel werkloosheid. Het al dan niet hebben van een geldige ADET is dus een belangrijke factor voor de beoordeling van het risico voor begunstigden van een internationale beschermingsstatus in Griekenland om dakloos te worden of om in een situatie van zeer verregaande VII-43.134-2/12 materiële deprivatie terecht te komen. Het ontbreken ervan dient in aanmerking te worden genomen bij een toekomstgerichte beoordeling van de te verwachten levensomstandigheden van de verzoekende partij als persoon die internationale bescherming geniet bij terugkeer naar Griekenland. Tevens blijkt uit de landeninformatie in het rechtsplegingsdossier zeer duidelijk dat de situatie voor statushouders in Griekenland dermate precair is dat het voor een begunstigde van internationale bescherming wiens ADET is vervallen, naast een zekere mate van zelfredzaamheid en de afwezigheid van bijzondere kwetsbaarheden, ook noodzakelijk is dat hij beschikt over middelen, een netwerk of andere ondersteuning om, in afwachting van de verlenging van zijn Griekse verblijfsdocumenten, het hoofd te kunnen bieden aan de moeilijkheden waarmee hij na zijn terugkeer naar Griekenland tijdens deze wachtperiode te maken kan krijgen wat betreft de toegang tot de gezondheidszorg, de arbeidsmarkt, de sociale bijstand en de huisvesting. Nu verzoeker op heden dus niet meer over een geldige Griekse verblijfsvergunning beschikt, moet er bijgevolg worden nagegaan of hij beschikt over middelen, een netwerk of andere ondersteuning om, in afwachting van de verlenging van zijn Griekse verblijfsdocumenten, het hoofd te kunnen bieden aan de moeilijkheden waarmee hij na zijn terugkeer naar Griekenland tijdens deze wachtperiode te maken kan krijgen. […] Er kan bijgevolg worden besloten dat verzoeker over de nodige zelfredzaamheid en middelen beschikt om, in afwachting van de verlenging van zijn Griekse verblijfsdocumenten, het hoofd te kunnen bieden aan de moeilijkheden waarmee hij na zijn terugkeer naar Griekenland tijdens deze wachtperiode te maken kan krijgen. Hoger is reeds gebleken dat verzoeker geen bijzondere kwetsbaarheid aannemelijk maakt. In de mate verzoeker verdere psychologische opvolging en medicatie behoeft voor zijn psychologische problemen, blijkt uit de informatie waaraan in de bestreden beslissing gerefereerd wordt, dat verzoeker in geval van terugkeer naar Griekenland en in afwachting van het verkrijgen van zijn AMKA wanneer hij daartoe de nodige stappen zet, niet verstoken zal zijn van toegang tot gratis gezondheidszorg, op voorwaarde dat hij naar een openbaar ziekenhuis of medisch centrum gaan: ‘If you do not have an AMKA, but you have a prescription from a doctor at a public hospital or medical centre, even if it is hand written, you can get your medicines for free from the pharmacy at the hospital where the doctor provided the prescription’ (UNHCR Greece, Living In Greece – Access to healthcare). [...] De Raad wijst er voorts op dat het aan de begunstigde(n) van internationale bescherming toekomt om de nodige inspanningen te doen om zich te integreren in de samenleving waar hij/zij internationale bescherming heeft bekomen, door er onder meer werk en huisvesting te zoeken. Zulke inspanningen blijken niet uit verzoekers verklaringen en gedragingen, zoals ook de commissaris-generaal pertinent vaststelt. De houding en het handelen van verzoeker duiden er daarentegen op dat hij geenszins van plan was om in Griekenland een duurzaam leven en een toekomst uit te bouwen sinds hij slechts ongeveer 40 dagen in Griekenland verbleven zou hebben […]. Verzoeker heeft in Griekenland ook nooit getracht om via organisaties of andere kanalen dan zijn vrienden, hulp te zoeken bij zijn zoektocht naar huisvesting of werk […]. Het komt in dit verband aan verzoeker toe om de middelen die het recht en zijn status in Griekenland hiertoe bieden terdege te gebruiken. Hij toont niet aan deze afdoende te hebben benut, laat staan uitgeput. De commissaris-generaal stelt dan ook terecht dat verzoeker verzinkt in algemeenheden en nooit ernstige pogingen heeft gedaan in Griekenland een duurzaam bestaan op te bouwen. Het feit dat er op een gegeven moment een einde wordt gesteld aan de materiële opvang voor begunstigden van internationale bescherming moet in samenhang worden bekeken met het feit dat nadat de beschermingsstatus wordt toegekend, de begunstigden zelf in hun onderhoud moeten voorzien. In het kader van huisvesting en tewerkstelling kan VII-43.134-3/12 worden verwacht van verzoeker, die er internationale bescherming heeft verkregen, om de nodige procedures te doorlopen en geduld uit te oefenen vooraleer hij daaromtrent conclusies trekt. Verzoeker toont niet op afdoende wijze aan dat hij niet in de mogelijkheid zou zijn om tewerkstelling of huisvesting te kunnen krijgen bij terugkeer naar Griekenland. Uit zijn verklaringen blijkt immers dat verzoeker slechts 40 dagen in Griekenland verbleven heeft, waardoor er geenszins sprake was van een ernstige poging om een duurzaam bestaan en een toekomst uit te bouwen aldaar, hoewel hij wel degelijk de middelen had om een goede start te nemen […]. Toch wist hij zich tijdens zijn korte verblijf in Griekenland te handhaven. Zo bleek hij beroep te kunnen doen op huisvesting via een netwerk dat hij ter plaatse opbouwde […]. Hieruit blijkt dat verzoeker in staat was te voorzien in zijn basisbehoeften. Hij toont dan ook niet aan op basis van wat voorafgaat dat hij niet in de mogelijkheid zou zijn (geweest) om huisvesting of tewerkstelling te vinden in Griekenland. Op grond hiervan kan dus niet worden besloten dat hij door de onverschilligheid van de Griekse autoriteiten buiten zijn wil en zijn persoonlijke keuzes om, terecht is gekomen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie die hem niet in staat stelde om te voorzien in zijn meest elementaire behoeften. Evenmin zijn er concrete indicaties dat dit het geval zou zijn bij een terugkeer ernaartoe. Hij moet, gelet op de voorgaande vaststellingen, in staat worden geacht om bij terugkeer naar Griekenland een duurzaam bestaan uit te bouwen en er in zijn levensonderhoud te voorzien. Hij maakt geenszins aannemelijk dat hij bij een terugkeer naar Griekenland in een situatie van verregaande materiële deprivatie zal terechtkomen. Uit het loutere gegeven dat verzoeker mentale problemen zou kennen, kan verder niet worden afgeleid dat hij zich in Griekenland in een staat van zeer verregaande materiële deprivatie bevond.” In punt 4.1. van het bestreden arrest verwijst de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen naar verzoekers aanvullende nota van 9 oktober 2025 met de daarbij gevoegde stukken. Hij stelt dat verzoeker op basis van de rapporten van het RSA van maart 2025 en van de AIDA van september 2025 aanvoert dat voor statushouders aanzienlijke obstakels bestaan bij de toegang tot sociale en economische rechten in Griekenland, in het bijzonder voor wat betreft de uitreiking van een AMKA-nummer en de activering daarvan. Daarnaast wordt in punt 4.2. van het bestreden arrest verzoekers kritiek uiteengezet die hij ter terechtzitting aanvoerde. In punt 5. van het bestreden arrest oordeelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat “[n]och voormeld betoog ter zitting, noch met de argumentatie geformuleerd in haar aanvullende nota’s brengt de verzoekende partij concrete en dienstige argumenten of elementen bij die van aard zijn afbreuk te doen aan de in de beschikking van 26 augustus 2025 opgenomen grond”. Vervolgens gaat hij in punt 5.1. van het bestreden arrest omstandig in op de “[a]lgemene situatie voor begunstigden van internationale bescherming in en bij terugkeer naar Griekenland”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt dat verzoeker verwijst naar de voormelde recente rapporten, dat de informatie van 2025 de zeer moeilijke situatie van Griekse statushouders bevestigt, maar ook dat hij in zijn beschikking van 26 augustus 2025 erkent dat er in VII-43.134-4/12 Griekenland sprake is van een precaire situatie waardoor de grootste voorzichtigheid en zorgvuldigheid zijn geboden bij de beoordeling van beschermingsverzoeken van statushouders in Griekenland. De kernvraag is volgens hem “of de door de verzoekende partij bijgebrachte nieuwe informatie in haar aanvullende nota, waarnaar wordt verwezen ter terechtzitting, toelaat anders te oordelen met betrekking tot de situatie van personen die internationale bescherming in Griekenland genieten dan hetgeen uiteengezet in de beschikking”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen betrekt ook de informatie uit de voormelde rapporten in zijn daaropvolgende analyse, waarin hij omstandig de vereiste van het bezit van persoonlijke documenten en gegevens bespreekt die in Griekenland toegang verlenen tot bepaalde basisvoorzieningen, zo ook de afgifte en activering van een AMKA. Ook de toegang tot de arbeidsmarkt en tot gezondheidszorg met de rol die de AMKA daarin speelt worden, met verwijzing naar de voormelde rapporten, besproken. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen besluit met verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 maart 2019 in de gevoegde zaken C-297/17, C-318/17, C-319/17 en C-438/17, Ibrahim tegen Duitsland, dat de beschikbare landeninformatie “[op zich niet] volstaat […] om zonder meer te besluiten dat de geboden bescherming in hoofde van eenieder die er internationale bescherming werd verleend, niet langer effectief of toereikend zou zijn en evenmin dat statushouders in Griekenland bij terugkeer hoe dan ook zullen terechtkomen in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie, ook al wordt de situatie er gekenmerkt door een grote onzekerheid of een sterke verslechtering van de levensomstandigheden”, dat verzoeker “[m]et de loutere verwijzing naar de bijgebrachte en beschikbare algemene landeninformatie […] dus niet aan[toont] dat elke begunstigde van internationale bescherming in Griekenland zich in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie zoals geduid door het Hof van Justitie bevindt of dat hij of zij er bij terugkeer automatisch in zal belanden” en dat “[e]en individuele beoordeling […] dus aan de orde [blijft]”. In punt 5.2. van het bestreden arrest onderzoekt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verzoekers “[p]ersoonlijke situatie […] als Grieks statushouder”. Hij verwijst daarbij in de eerste plaats naar zijn beschikking van 26 augustus 2025 en overweegt verder: “Waar de verzoekende partij verder de vereiste benadrukt van het aanleveren van bewijs van werkelijk verblijf in Griekenland, alsook van werk of studies alvorens een actieve AMKA wordt uitgereikt, zoals uiteengezet in het RSA-rapport van maart 2025, maakt zij, zoals ook hierna zal blijken, niet aannemelijk dat zij in geval van terugkeer naar Griekenland geen werk en huisvesting zal kunnen vinden en zij de vereiste documenten VII-43.134-5/12 niet zal kunnen voorleggen voor het verkrijgen en/of het activeren van een AMKA. In casu heeft de verzoekende partij geen bijzondere kwetsbaarheid die belangrijke negatieve gevolgen heeft op het vlak van haar zelfredzaamheid en autonomie en die het haar dermate moeilijk maakt om zich staande te houden. Uit de informatie, blijkt voorts dat verzoekende partij in geval van terugkeer naar Griekenland en in afwachting van het verkrijgen van haar AMKA, wanneer zij daartoe de nodige stappen zet, niet verstoken zal zijn van toegang tot gezondheidszorg, met name spoedeisende hulp en medicatie (gratis of tegen een kleine vergoeding), op voorwaarde dat zij naar een openbaar ziekenhuis of medisch centrum gaat (‘Verslag feitenonderzoek naar statushouders in Griekenland’, september 2024, p. 49-50). Statushouders zonder actieve AMKA die niet in een opvangfaciliteit verblijven en een afspraak willen maken in een ziekenhuis, wordt aangeraden daarvoor een beroep te doen op een NGO. Psychologische en psychiatrische gezondheidszorg is ook deels gedekt: mensen die noch een voorlopig sociale zekerheidsnummer (PAAYPA), noch een sociaalzekerheidsnummer (AMKA) hebben, kunnen gratis psychiatrische en neurologische geneesmiddelen krijgen als deze worden voorgeschreven door een psychiater of neuroloog die werkzaam is in een openbaar of particulier ziekenhuis en/of in lokale eerstelijnszorgeenheden of -centra (Refugee.info Greece, ‘Health care without a social security number (PAAYPA or AMKA)’; UNHCR, ‘Living in Greece – Access to Healthcare’). NGO’s beheren ook medische centra en poliklinieken die verschillende medische diensten aanbieden aan statushouders. Daarnaast hebben veel gemeenten medische centra waar statushouders en asielzoekers, ook degenen zonder AMKA, gebruik van kunnen maken (‘Verslag feitenonderzoek naar statushouders in Griekenland’, september 2024, p. 50). […]. […] Ter terechtzitting haalt de verzoekende partij voorts aan dat zij Griekenland verliet met valse documenten, dat zij haar ADET nooit heeft gehad, evenmin als haar AFM en AMKA. Waar de verblijfstitels blijkens artikel 24 van de richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (herschikking) (hierna: richtlijn 2011/95/EU) in wezen beperkt in de tijd en verlengbaar zijn (zoals overigens ook in België), is zulks in beginsel niet het geval wat betreft de verleende beschermingsstatus die onverkort blijft gelden zolang er een nood is aan bescherming en die slechts in uitzonderlijke, limitatief bepaalde omstandigheden kan worden ingetrokken of beëindigd (cf. de artikelen 11, 14, 16 en 19 van de richtlijn 2011/95/EU). De bewijslast met betrekking tot de eerder verleende internationale bescherming(sstatus) in toepassing van artikel 57/6, § 3, eerste lid, 3° van de Vreemdelingenwet berust inderdaad bij het Commissariaat-generaal, doch eens hieraan is voldaan, komt het de verzoeker die de actualiteit of effectiviteit van deze bescherming ter discussie stelt, persoonlijk toe om aan te tonen dat hij niet (meer) op deze bescherming kan rekenen. Het komt aldus aan de verzoekende partij zelf en niet aan het Commissariaat-generaal toe om het bewijs te leveren dat zij in Griekenland niet langer internationale bescherming geniet. De verzoekende partij blijft hier echter in gebreke. Zoals reeds vastgesteld in voormelde beschikking, brengt zij geen concrete gegevens of verifieerbare elementen bij die wijzen op een intrekking of opheffing van de haar verleende status, noch bevat het administratief dossier enige concrete aanwijzing in die zin. In hoger geciteerde beschikking wordt in punt 6. verder uitgebreid toegelicht dat uit de door beide partijen verstrekte informatie blijkt dat de hernieuwing en/of de verlenging van een ADET van begunstigden van een internationale beschermingsstatus die vanuit een andere lidstaat van de Europese Unie naar Griekenland terugkeren uiterst moeilijk VII-43.134-6/12 is en enkele maanden of zelfs meer dan een jaar kan duren. Als de ADET vervalt, wordt de AFM automatisch gedeactiveerd waardoor een risico ontstaat dat een individu bepaalde rechten verliest, zoals uitkeringen verbonden aan tewerkstelling dan wel werkloosheid. Er moet bijgevolg worden nagegaan of de verzoekende partij beschikt over middelen, een netwerk of andere ondersteuning om, in afwachting van de verlenging van haar Griekse verblijfsdocumenten, het hoofd te kunnen bieden aan de moeilijkheden waarmee zij na haar terugkeer naar Griekenland tijdens deze wachtperiode te maken kan krijgen, zo wordt vastgesteld. In voormelde beschikking werd reeds rekening gehouden met de situatie dat de verzoekende partij niet over een geldige verblijfsvergunning beschikt. De conclusie luidt echter dat de verzoekende partij beschikt over de nodige zelfredzaamheid en middelen om, in afwachting van een verlenging van haar Griekse verblijfsdocumenten, het hoofd te kunnen bieden aan de moeilijkheden waarmee zij na haar terugkeer naar Griekenland tijdens deze wachtperiode te maken kan krijgen. In voormelde beschikking worden de vaststellingen waaruit dit besluit voortvloeit toegelicht met verwijzing naar de verklaringen van de verzoekende partij. […] Voorts wordt benadrukt dat het niet onredelijk is om van de verzoekende partij, die in Griekenland werd erkend als vluchteling, te verwachten dat zij inspanningen levert om haar levensomstandigheden aldaar te verbeteren en er een bestaan uit te bouwen, en dat de houding en het handelen van de verzoekende partij er daarentegen op duiden dat zij geenszins van plan was om in Griekenland een duurzaam leven en een toekomst uit te bouwen aangezien zij er slechts ongeveer 40 dagen heeft verbleven. De verzoekende partij voert een algemeen betoog en tracht te overtuigen van het tegendeel, maar maakt niet in concreto aannemelijk dat zij bij een terugkeer niet opnieuw dezelfde of andere nodige stappen kan zetten, inspanningen kan leveren en/of niet opnieuw beroep zou kunnen doen op haar netwerk, of een nieuw netwerk zou kunnen opbouwen, om eventuele problemen in de wachtperiode die ze moet overbruggen om haar verblijfsvergunning te verlengen het hoofd te kunnen bieden. Het thans formuleren van algemene verzuchtingen of kritiek volstaat niet om anders te doen denken.” Anders dan hoe verzoeker het ziet, blijkt uit de voorgaande omstandige motivering dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wel degelijk heeft geantwoord op verzoekers kritiek. Verzoeker toont niet aan dat de voormelde motivering tegenstrijdig zou zijn of niet zou volstaan in het licht van de jurisdictionele motiveringsplicht als vormvereiste. In de mate dat verzoeker een nieuwe beoordeling van de zaak zelf wenst, behoort dit niet tot de bevoegdheid van de Raad van State als cassatierechter. 4. Waar verzoeker aanvoert dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met het bestreden arrest artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden schendt omdat hij bij terugkeer naar Griekenland geen toegang zal hebben tot gezondheidszorg en “aangezien verzoeker bij een onderbreking van zijn behandeling het risico loopt te worden blootgesteld aan onmenselijke en vernederende behandelingen”, gaat verzoeker voorbij aan de omstandige VII-43.134-7/12 motivering die het bestreden arrest bevat over verzoekers persoonlijke situatie. Door op algemene wijze het tegendeel te beweren toont hij geen schending aan van de voormelde bepaling. Tweede onderdeel van het enige middel: “Onvolledige motivatie wat betreft de situatie in Gaza en waarom hiermee geen rekening zou moeten worden gehouden 5. Verzoeker voert aan dat in strijd met de jurisdictionele motiveringsplicht “[i]n het bestreden arrest […] niet [wordt] gemotiveerd waarom geen rekening wordt gehouden met de situatie in Gaza en de impact ervan op de kwetsbaarheid van verzoeker”. Aangaande verzoekers voorgehouden bijzondere kwetsbaarheid wordt in de beschikking van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van 26 augustus 2025 overwogen: “[…] Verzoeker, een 31-jarige man, maakt niet aannemelijk dat hij over een bijzondere kwetsbaarheid beschikt die hem zou verhinderen om zijn rechten te doen gelden, verbonden aan zijn status in Griekenland of waardoor hij bij terugkeer naar Griekenland een risico loopt te worden blootgesteld aan behandelingen die in strijd zijn met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Verzoeker stelt dat hij gediagnosticeerd is met ernstige posttraumatische stress en dat hij psychologisch en psychiatrisch begeleid wordt. Bovendien is zijn psychologische toestand verergerd na de gebeurtenissen van 7 oktober 2023 in de Gazastrook. Hij heeft veel familieleden verloren. Het vooruitzicht van een terugkeer naar Griekenland betekent voor hem dat hij geen geld meer naar zijn familie in Gaza kan sturen. Hij verklaart dat hij antidepressiva en kalmerende middelen neemt […]. Hij legt ter staving van zijn beroep een attest van zijn psycholoog neer d.d. 17 maart 2025 […]. In dit attest benadrukt de psycholoog de psychische gevolgen van de oorlog sinds oktober 2023 op de verzoeker. Hoewel begrijpelijk dat de gebeurtenissen sinds 7 oktober 2023 een zware impact kunnen hebben op de verzoeker, werpt dit attest echter geen nieuw licht op de vaststellingen die reeds werden gedaan door de Raad in het kader van verzoekers vorig beschermingsverzoek omtrent zijn mogelijke kwetsbaarheid. De Raad benadrukte hieromtrent dat er niet kon blijken dat in verzoekers hoofde sprake was van een medisch-psychische aandoening die belangrijke gevolgen voor zijn zelfstandig functioneren met zich meebrengt, noch dat hij te Griekenland geen psychologische ondersteuning zou kunnen genieten dan wel dat hij ter plaatse een vertrouwensband zou kunnen opbouwen (RvV 22 september 2023, nr. 294 566). Het attest dat verzoeker in het kader van zijn huidige procedure neerlegt, bouwt aldus voort op de stukken die de Raad reeds beoordeelde. Derhalve moeten deze stukken eveneens vanuit hetzelfde oogpunt beoordeeld worden. Bovendien stelt verzoeker zelf dat hij naar hier is gekomen met mentale problemen, maar dat deze nu zijn opgelost […]. Verzoeker zet verder nergens in concreto uiteen in welke mate zijn psychologische problemen hem beletten om zijn rechten te doen gelden in Griekenland, noch wat de omvang of draagwijdte hiervan zou zijn op zijn mogelijkheden om zijn rechten in Griekenland uit te oefenen. VII-43.134-8/12 […] In zoverre verzoeker verwijst naar rechtspraak van de Raad en naar vergelijkbare dossiers van Palestijnse verzoekers, wijst de Raad erop dat verwijzing naar haar rechtspraak niet dienstig is bij gebrek aan precedentenwerking. Zoals aangegeven in het verzoekschrift en in de bijgevoegde rapporten en attesten […] waarin verenigingen en psychosociale werkers op algemene wijze getuigen over de geestelijke gezondheid van mensen van Palestijnse afkomst en waarbij zij een stijging vaststellen van het aantal patiënten met psychologische problemen ten gevolge van de oorlog in Gaza en hun uitzichtloze situatie in België, kan aangenomen worden dat de toestand in Gaza en zijn situatie in België verzoeker zwaar raakt. Hieruit kan echter niet blijken dat hij omwille hiervan kampt met medische of psychologische problemen of andere elementen die belangrijke negatieve gevolgen zouden hebben voor zijn zelfredzaamheid en autonomie. Dat het Hof van Beroep op basis van deze rapporten Palestijnse verzoekers heeft geïdentificeerd als een specifieke groep van verzoekers om internationale bescherming waarvan de kwetsbaarheid is vastgesteld, doet hier geen afbreuk aan. Het arrest van het Hof van Beroep en de talrijke rapporten hebben geen betrekking op de concrete, individuele persoon en persoonlijke situatie van verzoeker en de internationale bescherming die hij reeds geniet in Griekenland, zoals deze hier concreet, op basis van alle voorliggende gegevens in het dossier, wordt beoordeeld, zoals o.a. ook wat haar voorgehouden kwetsbaarheid betreft. Het gaat om informatie van algemene aard waarin verzoeker zelf niet wordt vermeld. Dergelijke algemene verslagen die geen betrekking hebben op de persoon van verzoekende partij en haar situatie als statushouder in Griekenland, is geenszins van aard aan die concrete vaststellingen en beoordeling afbreuk te doen. Daarenboven heeft het arrest van het Hof van Beroep van Brussel van 7 oktober 2024 louter betrekking op de behandelingstermijn van de verzoeken om internationale bescherming van Palestijnse verzoekers uit Gaza, en niet op de beoordeling van de elementen inzake een ‘bijzondere kwetsbaarheid’ die moeten worden onderzocht om te bepalen of een verzoeker om internationale bescherming, in het geval van een terugkeer naar de lidstaat die hem een internationale beschermingsstatus heeft verleend, zich in een zodanige situatie zou bevinden dat hij ‘vanwege zijn bijzondere kwetsbaarheid, buiten zijn wil en zijn persoonlijke keuzes om, zou terechtkomen in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie’. […] Aangezien verzoeker reeds een internationale beschermingsstatus werd toegekend in Griekenland die als toereikend werd beoordeeld, diende de commissaris-generaal niet opnieuw te bepalen of hij nood heeft aan een dergelijke status. De beoordeling of de verzoeker een gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade in zijn land van herkomst dient slechts te worden gemaakt indien het vermoeden dat de aan verzoeker toegekende bescherming in Griekenland effectief is, wordt ontkracht. Verzoeker is op dit punt in gebreke gebleven. In deze omstandigheden is verzoekers verwijzing naar de algemene veiligheidssituatie in Gaza en zijn betoog in dit verband niet dienstig.” In het bestreden arrest voegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nog toe: “Door ter terechtzitting te wijzen op haar psychische problemen die buiten haar wil om zouden zijn veroorzaakt gezien zij getraumatiseerd werd door de Griekse autoriteiten en te stellen dat zij ten bewijze hiervan wordt opgevolgd, doet de verzoekende partij VII-43.134-9/12 niet anders denken. Op het trauma dat zou zijn veroorzaakt door de Griekse autoriteiten, gaat de verzoekende partij ter terechtzitting niet verder in. In de mate dat zij voorts wederom verwijst naar de gebeurtenissen van 7 oktober 2023 in de Gazastrook, het attest van haar psycholoog van 17 maart 2025 en haar verklaring dat zij antidepressiva en kalmerende middelen neemt, werd hierover reeds standpunt ingenomen in voormelde beschikking. De verzoekende partij brengt met haar betoog geen concrete elementen aan die de vaststellingen in voormelde beschikking in een ander daglicht plaatsen. Er wordt niet ontkend dat de huidige situatie in Gaza gevolgen heeft voor de psychologische toestand van de verzoekende partij, echter zij toont niet aan dat zij hierdoor dermate beïnvloed wordt dat zij over een bijzondere kwetsbaarheid beschikt die haar zal verhinderen haar rechten te doen gelden, verbonden aan haar status toegekend in Griekenland of die belangrijke gevolgen zouden hebben voor haar zelfstandig functioneren. Hierbij wordt nogmaals aangestipt dat de verzoekende partij verklaarde dat zij naar hier kwam met mentale problemen, maar dat deze nu opgelost zijn […].” […] Aangezien de verzoekende partij reeds een internationale beschermingsstatus werd toegekend in Griekenland die als toereikend wordt beoordeeld, moet niet opnieuw worden bepaald of zij nood heeft aan een dergelijke status. De beoordeling of de verzoekende partij een gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade in haar land van herkomst dient slechts te worden gemaakt indien het vermoeden dat de aan de verzoekende partij toegekende bescherming in Griekenland effectief is, wordt ontkracht. De verzoekende partij is op dit punt in gebreke gebleven. In deze omstandigheden is de verwijzing naar de algemene (veiligheids)situatie in Gaza en/of Palestina niet dienstig. De situatie in Gaza en/of Palestina, noch van haar familieleden aldaar, is, hoe betreurenswaardig ook, ter zake relevant gelet op de internationale bescherming die de verzoekende partij in Griekenland geniet en waarvan zij niet aantoont dat deze niet meer actueel of toereikend is.” Uit het voorgaande blijkt een omstandig onderzoek van een gebeurlijke bijzondere kwetsbaarheid van verzoeker die het hem dermate moeilijk zou maken om zich staande te houden en zelfstandig zijn rechten uit te oefenen en dat hij een ernstig risico loopt terecht te komen in leefomstandigheden die in strijd zijn met zijn grondrechten. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen houdt daarbij wel degelijk rekening met de situatie in Gaza en hij motiveert waarom verzoekers betoog dienaangaande niet dienstig is. Verzoeker toont niet aan welke omstandigheden de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op onwettige wijze buiten beschouwing zou hebben gelaten noch op welke aangevoerde elementen niet zou zijn geantwoord in strijd met artikel 149 van de Grondwet. In de mate dat verzoeker het niet eens is met de beoordeling van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, herhaalt de Raad van State dat hij als cassatierechter niet vermag deze beoordeling over te doen. 6. Verzoeker werpt met verwijzing naar een arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van 9 januari 2025 met nummer 319.746 nog een schending op van artikel 39/6 van de vreemdelingenwet. Daargelaten de vaststelling dat een evolutie van de VII-43.134-10/12 rechtspraak van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet verboden is en dat de arresten van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen bindende precedentswaarde hebben, wijst de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen er in het bestreden arrest op dat zijn rechtspraak individuele gevallen betreft en dat “[e]lk verzoek om internationale bescherming […] op individuele basis en aan de hand van de hiertoe in concreto aangevoerde elementen [dient] onderzocht te worden”, zoals dit ook geschiedde in het voormelde arrest waarop verzoeker zich beroept. Conclusie 7. Het enige middel is in zijn beide onderdelen, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT: 1. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar. 2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. VII-43.134-11/12 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op elf juni tweeduizend zesentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams VII-43.134-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD.16.750