Legislator Rechtsdatenbank & Rechtsprechung
ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD.16.729 ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD.16.729 KI-strukturiert

ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD.16.729 — ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD.16.729 — Conseil d'État

Geschäftsnummer ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD.16.729
Gericht / Behörde
Entscheiddatum
Rechtsordnung Belgien — Rechtsprechung (BE)

Zusammenfassung (Sachverhalt & Erwägungen)

KI-strukturiert

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 16.729 van 29 mei 2026 in de zaak A. 247.207/VII-43.158 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Geens kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------...

Leitsatz / Regeste

KI-strukturiert
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 16.729 van 29 mei 2026 in de zaak A. 247.207/VII-43.158 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Geens kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------...

Fragen Sie sich, wie dieser Entscheid auf Ihren Fall anwendbar ist?

Prüfen Sie diesen Entscheid zusammen mit Bundesrecht, kantonalen Erlassen, Kommentaren und Folgeentscheiden in Legislator AI.

Fall in Legislator öffnen →

Volltext des Entscheids — ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD.16.729

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 16.729 van 29 mei 2026 in de zaak A. 247.207/VII-43.158 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Geens kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 30 januari 2026, strekt tot de cassatie van arrest nr. 339.467 van 14 januari 2026 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 13 februari 2026 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. 1. Met betrekking tot verzoekers beschermingsstatus en verblijfsstatuut in Griekenland overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest: “[…] Uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat verzoeker internationale bescherming geniet in een andere lidstaat van de Europese Unie, namelijk Griekenland. Hij verkreeg er de vluchtelingenstatus op 3 mei 2023 en werd in het bezit gesteld van Griekse verblijfsdocumenten, waarvan de Griekse verblijfsvergunning (ADET), geldig tot 3 mei 2026 […]. Dit lijkt in overeenstemming te zijn met de landeninformatie waaruit blijkt dat erkende vluchtelingen in Griekenland een verblijfsrecht krijgen voor drie jaar met mogelijke verlenging (‘Verslag feitenonderzoek naar statushouders in VII-43.158-1/8 Griekenland’ d.d. september 2024, p. 13; ‘Country Report: Greece. Update 2023’, p. 243) en met het gegeven dat verzoeker in Griekenland op 3 mei 2023 de vluchtelingenstatus heeft verworven. Waar verzoeker zich in het verzoekschrift meermaals de vraag stelt of hij heden nog steeds internationale bescherming geniet in Griekenland, wijst de Raad erop dat er een onderscheid dient te worden gemaakt tussen de verleende internationale beschermingsstatus enerzijds en de daaraan gekoppelde verblijfstitel anderzijds. Dit onderscheid vindt weerklank in het vigerende EU-acquis, waar de richtlijn 2011/95/EU in de artikelen 13 en 18 alludeert op het verlenen van de vluchtelingen- en subsidiaire beschermingsstatus en in artikel 24 de modaliteiten van de respectieve verblijfstitels regelt. In de mate verzoeker in het verzoekschrift aanklaagt dat de commissaris-generaal heeft nagelaten afdoende te onderzoeken of hij actueel internationale bescherming geniet in Griekenland, wijst de Raad erop dat waar de verblijfstitels blijkens artikel 24 van de richtlijn 2011/95/EU in wezen beperkt in de tijd en verlengbaar zijn (zoals overigens ook in België), zulks in beginsel niet het geval is wat betreft de verleende beschermingsstatus die onverkort blijft gelden zolang er een nood is aan bescherming en die slechts in uitzonderlijke, limitatief bepaalde omstandigheden kan worden ingetrokken of beëindigd (cf. de artikelen 11, 14, 16 en 19 van de richtlijn 2011/95/EU). De bewijslast met betrekking tot de eerder verleende internationale bescherming(sstatus) in toepassing van artikel 57/6, § 3, eerste lid, 3°, van de Vreemdelingenwet berust inderdaad bij het commissariaat-generaal, doch eens hieraan is voldaan, komt het de verzoeker, die de actualiteit of effectiviteit van deze bescherming ter discussie stelt, persoonlijk toe om aan te tonen dat hij niet (meer) op deze bescherming kan rekenen. Het komt aldus aan verzoeker zelf en niet aan het commissariaat-generaal toe om het bewijs te leveren dat hij in Griekenland niet langer internationale bescherming geniet. Verzoeker blijft hier echter in gebreke. Hij brengt geen ernstige en verifieerbare indicaties bij die wijzen op een intrekking of opheffing van de hem verleende status, noch bevat het administratief dossier enige concrete aanwijzing in die zin. Uit het enkele feit dat hij niet langer woonachtig is in Griekenland, kan niet worden afgeleid dat hij er niet langer over internationale bescherming beschikt. Indien verzoeker van mening is dat er een einde zou zijn gesteld aan zijn verblijfsstatuut omwille van een afwezigheid, of dat hiertoe een procedure is opgestart, komt het hem toe om dit op afdoende wijze aan te tonen. Het louter in vraag stellen van het actueel karakter van de verleende beschermingsstatus volstaat niet. […] Bijgevolg wordt in casu vermoed dat verzoeker geen nood heeft aan internationale bescherming in België, precies omdat hij reeds internationale bescherming geniet in een ander land, met name Griekenland. Om deze reden werd verzoekers beschermingsverzoek niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 57/6, § 3, eerste lid, 3°, van de Vreemdelingenwet. Deze bepaling vormt de omzetting naar Belgisch recht van het wederzijds vertrouwensbeginsel, vervat in artikel 33, lid 2, a), van de richtlijn 2013/32/EU. […] De Raad benadrukt verder dat verzoeker nog steeds beschikt over een geldige verblijfsvergunning (ADET), hetgeen hem toelaat toegang te verkrijgen tot andere essentiële documenten en basisvoorzieningen. Er ligt niet enig concreet gegeven voor waaruit blijkt dat verzoekers Griekse verblijfsvergunning thans zou zijn verstreken zodat zijn betoog betreffende de moeilijkheden om deze te hernieuwen bij terugkeer niet dienstig kan worden aangevoerd. […] Verzoeker verklaart naast een ADET ook een AFM en een AMKA te hebben ontvangen […]. Aldus heeft verzoeker een fiscaal registratienummer (AFM) verkregen. De Raad benadrukt hierbij dat het fiscaal registratienummer toegang geeft tot de arbeidsmarkt, het openen van een bankrekening en het huren van een woning (‘Verslag VII-43.158-2/8 feitenonderzoek naar statushouders in Griekenland’, september 2024, p. 19). Uit objectieve informatie blijkt dat deze AFM geldig blijft zolang de verblijfsvergunning (ADET) ook geldig is. Als de ADET verloopt, wordt het AFM gedeactiveerd totdat de ADET wordt verlengd (RSA- rapport, maart 2025, p. 21: ‘the AFM is automatically deactivated upon the expiry of the residence permit and cannot be used until the ADET is renewed’). Het is de geldigheid van de verblijfsvergunning die belangrijk is, niet het al dan niet kwijt zijn van de gedrukte verblijfsvergunning. Aangezien verzoekers verblijfsvergunning niet verloopt voor 3 mei 2026, is zijn AFM dus ook geldig tot die datum. Hetzelfde geldt voor het sociale zekerheidsnummer (AMKA). De AMKA wordt pas gedeactiveerd wanneer de verblijfsvergunning verloopt: ‘According to the latest JMD F80320/109864/14.12.2023, the Social Security Number (AMKA) is deactivated a day after the residence permit expires’ (AIDA-rapport, juni 2024, p. 248). Waar verzoeker de vereiste benadrukt van het hebben van een geldige verblijfsvergunning en daarbovenop het aanleveren van bewijs van werkelijk verblijf in Griekenland, alsook van tewerkstelling alvorens een actieve AMKA wordt uitgereikt of een bestaande AMKA opnieuw te activeren, maakt hij niet aannemelijk dat hij in geval van terugkeer naar Griekenland geen werk en huisvesting zal kunnen vinden en hij de vereiste documenten niet zal kunnen voorleggen voor het verkrijgen en/of het activeren van een AMKA, zoals bijvoorbeeld door het neerleggen van een werkbelofte. De Raad herinnert er hierbij aan dat verzoeker geen bijzondere kwetsbaarheid heeft die belangrijke negatieve gevolgen heeft op het vlak van zijn zelfredzaamheid en autonomie en die het hem dermate moeilijk maakt om zich staande te houden. Uit de beschikbare landeninformatie blijkt voorts dat verzoeker in geval van terugkeer naar Griekenland en in afwachting van het activeren van zijn AMKA, wanneer hij daartoe de nodige stappen zet, niet verstoken zal zijn van toegang tot gezondheidszorg, met name spoedeisende hulp en medicatie (gratis of tegen een kleine vergoeding), op voorwaarde dat hij naar een openbaar ziekenhuis of medisch centrum gaat: ‘If you do not have an AMKA, but you have a prescription from a doctor at a public hospital or medical centre, even if it is hand written, you can get your medicines for free from the pharmacy at the hospital where the doctor provided the prescription’ (Nederlands Ministerie van Buitenlandse Zaken, Verslag feitenonderzoek naar statushouders in Griekenland, september 2024, p. 49-50; UNHCR Greece, Living In Greece – Access to healthcare, zoals vermeld in voetnoot 306 van het Verslag feitenonderzoek naar statushouders in Griekenland van het Nederlands Ministerie van Buitenlandse Zaken van september 2024). Psychologische en psychiatrische gezondheidszorg is ook gedekt: mensen die noch een voorlopig sociale zekerheidsnummer (PAAYPA), noch een sociaalzekerheidsnummer (AMKA) hebben, kunnen gratis psychiatrische en neurologische geneesmiddelen krijgen als deze worden voorgeschreven door een psychiater of neuroloog die werkzaam is in een openbaar of particulier ziekenhuis en/of in lokale eerstelijnszorgeenheden of -centra (UNHCR, Information Guide for Beneficiaries of International Protection, november 2023, p. 42-43, zoals vermeld in voetnoot 306 van het Verslag feitenonderzoek naar statushouders in Griekenland van het Nederlands Ministerie van Buitenlandse Zaken van september 2024). Ngo’s beheren ook medische centra en poliklinieken die verschillende medische diensten aanbieden aan statushouders, onder andere psychologische begeleiding. Daarnaast hebben veel gemeenten medische centra waar statushouders en asielzoekers, ook degenen zonder AMKA, gebruik van kunnen maken (Nederlands Ministerie van Buitenlandse Zaken, Verslag feitenonderzoek naar statushouders in Griekenland, september 2024, p. 50). […] Verzoeker brengt geen concrete en geobjectiveerde elementen bij die hier anders over doen denken. Voor zover hij wijst op de vertraging waarmee statushouders geconfronteerd worden bij de vernieuwing van hun verblijfsdocumenten, is die situatie VII-43.158-3/8 niet op hem van toepassing nu hij heden nog over een geldige Griekse verblijfsvergunning beschikt en niets hem eraan in de weg staat om, eventueel met ondersteuning, een verlenging van zijn ADET tijdig aan te vragen. […] […] Verzoeker voert verder aan dat zijn situatie nog meer bemoeilijkt wordt door de administratieve grote problemen die hij zal kennen, en verwijst in dit kader naar algemene informatie over de situatie van statushouders in Griekenland. Verzoeker toont echter niet aan dat zijn eigen Griekse documenten niet langer geldig zijn, waardoor de verwijzing naar algemene informatie in zijn verzoekschrift met betrekking tot de situatie van statushouders zonder geldige papieren dan ook niet dienstig is. […] Alles samengenomen is de Raad van oordeel dat verzoeker geen elementen heeft aangebracht waaruit blijkt dat van hem niet redelijkerwijs zou kunnen worden verwacht dat hij zich beroept op de beschermingsstatus die hem in Griekenland reeds werd toegekend en de rechten die daaruit voortvloeien. […] Het vermoeden dat zijn grondrechten als begunstigde van internationale bescherming in Griekenland zullen worden geëerbiedigd, wordt door verzoeker niet weerlegd. Er worden geen feiten of elementen aangetoond die de toepassing van artikel 57/6, § 3, eerste lid, 3° van de Vreemdelingenwet op de individuele situatie van verzoeker in de weg staan. Zijn beschermingsverzoek dient bijgevolg op basis van deze rechtsgrond niet-ontvankelijk te worden verklaard. Een schending van artikel 57/6, § 3, eerste lid, 3°, van de Vreemdelingenwet blijkt niet.” Uit het voorgaande blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, anders dan verzoeker voorhoudt, zijn onderzoek niet beperkt tot de vaststelling dat verzoeker op 3 mei 2023 in Griekenland werd erkend als vluchteling. Hij overweegt dat verzoeker beschikt over een verblijfsvergunning, geldig tot 3 mei 2026, hetgeen verzoeker niet betwist, dat verzoeker geen concrete gegevens of verifieerbare elementen bijbrengt die aantonen dat zijn status in Griekenland is ingetrokken of opgeheven en het administratief dossier evenmin concrete aanwijzingen in die zin bevat. Verder in het bestreden arrest, waar de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de algemene situatie voor begunstigden van internationale bescherming in en bij terugkeer naar Griekenland bespreekt, wordt onder andere nog vastgesteld dat voor asielzoekers sinds 31 december 2020 automatisch een fiscaal registratienummer (AFM) wordt aangemaakt bij hun beschermingsverzoek, dat dit fiscaal registratienummer (het openen van) een bankrekening, de huur van onroerende goederen en het verkrijgen van een sociale zekerheidsnummer (AMKA), dat toegang verleent tot de gezondheidszorg en de arbeidsmarkt, mogelijk maakt en dat het fiscaal registratienummer en het sociale zekerheidsnummer volgens de beschikbare informatie automatisch worden gedeactiveerd wanneer de verblijfsvergunning verloopt. Ten slotte stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vast dat verzoeker heeft verklaard een AFM en een AMKA te hebben ontvangen. VII-43.158-4/8 2. Op grond van de voormelde elementen acht de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het bewezen dat verzoeker nog steeds internationale bescherming geniet in Griekenland. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kon derhalve zonder schending van artikel 57/6, § 3, 3°, van de vreemdelingenwet oordelen dat het vervolgens aan verzoeker toevalt het bewijs te leveren dat hij geen of geen effectieve internationale bescherming meer geniet in Griekenland. In de mate dat verzoeker een andere beoordeling voorstelt van de voorhanden zijnde elementen, vraagt hij in wezen een nieuwe beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als cassatierechter niet bevoegd is. 3. Volgens verzoeker stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de erkenning als vluchteling in Griekenland gelijk met het bestaan van “actuele en effectieve bescherming”, om vervolgens de bewijslast van het tegendeel bij verzoeker te leggen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gaat in punt 2.3.10. van het bestreden arrest omstandig in op “de situatie […] van personen die internationale bescherming genieten in Griekenland”, waarbij hij met verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 maart 2019 in de gevoegde zaken C-297/17, C-318/17, C-319/17 en C-438/17, Ibrahim tegen Duitsland, (hierna: arrest Ibrahim) besluit dat de beschikbare landeninformatie “op zichzelf niet [volstaat] om zonder meer te concluderen dat de bescherming die wordt geboden aan iedereen die daar internationale bescherming heeft verkregen, niet langer effectief of voldoende zou zijn, noch dat alle statushouders bij een terugkeer naar Griekenland zullen terechtkomen in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie, ook al wordt de situatie er gekenmerkt door een grote onzekerheid of een sterke verslechtering van de levensomstandigheden” en dat “[e]en individuele beoordeling […] dus aan de orde blijft”. In punt 2.3.14. en verder van het bestreden arrest onderzoekt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vervolgens de concrete persoonlijke situatie van verzoeker. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft zowel met algemene landeninformatie als met verzoekers individuele situatie rekening gehouden. Verzoeker wijst op de vereisten van een individueel en actueel onderzoek en een effectief rechtsmiddel, maar hij beperkt zich daarbij tot algemene opmerkingen, zonder in het licht van de concrete motieven van het bestreden arrest aannemelijk te maken dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bepaalde elementen VII-43.158-5/8 op onwettige wijze buiten beschouwing zou hebben gelaten of bepaalde kritiek niet of onvoldoende zou hebben beantwoord. 4. Met zijn algemene kritiek dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “in het bestreden arrest artikel 4 Handvest en artikel 57/6, § 3 Vreemdelingenwet verkeerd toe[past] en […] bovendien zijn eigen uitgangspunt [miskent] dat bijzondere aandacht moet gaan naar het vermogen van betrokkene om zijn rechten daadwerkelijk te doen gelden” door “de essentie van [verzoekers] argument weg te zetten met een verwijt van ‘eigen keuze’”, gaat verzoeker voorbij aan de omstandige beoordeling van zijn persoonlijke situatie in punt 2.3.14. en verder van het bestreden arrest. Hij toont op die manier geen schending aan van de bepalingen waarop hij zich beroept. Op basis van de omstandige beoordeling van verzoekers persoonlijke situatie concludeert de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in punt 2.3.27. van het bestreden arrest dat hij “[a]lles samengenomen […] van oordeel [is] dat verzoeker geen elementen heeft aangebracht waaruit blijkt dat van hem niet redelijkerwijs zou kunnen worden verwacht dat hij zich beroept op de beschermingsstatus die hem in Griekenland reeds werd toegekend en de rechten die daaruit voortvloeien” en in punt 2.3.28. van het bestreden arrest dat “[h]et vermoeden dat zijn grondrechten als begunstigde van internationale bescherming in Griekenland zullen worden geëerbiedigd, […] niet [wordt] weerlegd”. Bovendien overweegt hij over verzoekers argument aangaande het HELIOS+-programma onder meer: “[d]at verzoeker bij terugkeer geen toegang meer zal hebben tot het HELIOS+-programma, onder meer omdat inschrijvingen maar mogelijk zijn tot twee jaar na de toekenning van de beschermingsstatus, toont verder geenszins aan dat hij zich bij terugkeer naar Griekenland niet zou kunnen beroepen op andere vormen van ondersteuning door de Griekse overheden of hulp van organisaties bij terugkeer naar Griekenland. Zijn betoog, dat hij geen beroep meer zal kunnen doen op enige vorm van ondersteuning, ontbeert dan ook feitelijke grond”. 5. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzet – al ware die redengeving verkeerd of onwettig – die hem ertoe brengt de beslissing te nemen. Tegenstrijdige motieven heffen elkaar op en leiden aldus tot een gemis aan motivering. VII-43.158-6/8 Verzoeker verwijst naar een brief van 19 november 2025 die uitgaat van een consortium van Griekse middenveldorganisaties. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt dienaangaande in het bestreden arrest: “Waar verzoeker in zijn aanvullende nota’s nog kritiek levert op de COI Focus ‘Grèce: Aide aux migrants’, dient de Raad vast te stellen dat de verwerende partij op geen enkel moment, ook niet in haar aanvullende nota van 27 november 2025, en net zomin als de Raad verwijst naar deze COI Focus. De link naar de betreffende COI Focus opgenomen in de ter terechtzitting neergelegde aanvullende nota van verzoeker blijkt bovendien niet te werken. Aldus lijkt door de verwerende partij gevolg te zijn gegeven aan de vraag, vervat in de brief van 19 november 2025 uitgaande van een consortium van Griekse middenveldorganisaties […], om betreffende COI Focus uit circulatie te halen. Waar ter terechtzitting wordt gesteld dat de brief zelf daarentegen wel degelijk pertinent blijft en de schrijnende situatie voor statushouders in Griekenland bevestigt, wijst de Raad erop dat de bevindingen in de betreffende brief op zich geen afbreuk doen op voorgaande analyse, die is gemaakt, steunende op basis van het geheel van beschikbare en gehanteerde rapporten. De conclusie blijft overeind dat een individuele beoordeling van verzoekers concrete, persoonlijke situatie en voorliggend beschermingsverzoek dus aan de orde blijft.” Het oordeel van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen luidt derhalve dat de conclusie overeind blijft dat een individuele beoordeling van verzoekers concrete, persoonlijke situatie aan de orde blijft. Vervolgens gaat hij, zoals supra reeds gesteld, over tot die individuele beoordeling. Opnieuw gaat verzoeker met zijn algemene kritiek voorbij aan de omstandige motivering die het bestreden arrest bevat over zijn persoonlijke situatie. Verzoeker toont bovendien niet aan dat bovenstaande motivering tegenstrijdig zou zijn of niet zou volstaan in het licht van de jurisdictionele motiveringsplicht als vormvereiste, doch hij vraagt in wezen een nieuwe beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als cassatierechter niet bevoegd is. 6. In zoverre verzoeker een schending aanvoert van artikel 33 van richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 ‘betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming’ voert verzoeker niet aan dat deze richtlijn niet of niet correct zou zijn omgezet, zodat hij zich bij gebrek aan rechtstreekse werking niet kan beroepen op de voornoemde richtlijnbepaling om te besluiten tot de onwettigheid van het bestreden arrest. 7. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. VII-43.158-7/8 BESLUIT: 1. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar. 2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op negenentwintig mei tweeduizend zesentwintig, door: Frédéric Vanneste, staatsraad, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De staatsraad Bryan Geerts Frédéric Vanneste VII-43.158-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ORD.16.729