Legislator Rechtsdatenbank & Rechtsprechung
ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.267.255 ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.267.255 KI-strukturiert

ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.267.255 — ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.267.255 — Conseil d'État

Geschäftsnummer ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.267.255
Gericht / Behörde
Entscheiddatum
Rechtsordnung Belgien — Rechtsprechung (BE)

Zusammenfassung (Sachverhalt & Erwägungen)

KI-strukturiert

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 267.255 van 26 juni 2026 in de zaak A. 248.070/XII-10.106 In zake: A.G. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Wim Arslijder kantoor houdend te 8793 Waregem Ketsersstraat 8 bus 2 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, belast met Beliris bij...

Leitsatz / Regeste

KI-strukturiert
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 267.255 van 26 juni 2026 in de zaak A. 248.070/XII-10.106 In zake: A.G. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Wim Arslijder kantoor houdend te 8793 Waregem Ketsersstraat 8 bus 2 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, belast met Beliris bij...

Fragen Sie sich, wie dieser Entscheid auf Ihren Fall anwendbar ist?

Prüfen Sie diesen Entscheid zusammen mit Bundesrecht, kantonalen Erlassen, Kommentaren und Folgeentscheiden in Legislator AI.

Fall in Legislator öffnen →

Volltext des Entscheids — ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.267.255

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 267.255 van 26 juni 2026 in de zaak A. 248.070/XII-10.106 In zake: A.G. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Wim Arslijder kantoor houdend te 8793 Waregem Ketsersstraat 8 bus 2 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, belast met Beliris bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stijn Butenaerts en Andy Hoedenaeken kantoor houdend te 1080 Brussel Leopold II-laan 180 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 22 april 2026 bij aangetekende zending en op 6 mei 2026 via het elektronisch platform, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van “[d]e beslissing van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken, algemene directie Veiligheid & Preventie d.[d.] 26.2.2026, betreffende een maatregel waarbij de identificatiekaart van verzoeker werd ingetrokken en het hem verboden werd om verder activiteiten uit te voeren die vallen onder het toepassingsgebied van de wet van 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid, of een functie uit te oefenen die staat omschreven in artikel 60 van dezelfde wet tot regeling van de private en bijzondere veiligheid”. XII-10.106-1/11 II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij beschikking van 8 mei 2026, zoals gewijzigd bij beschikking van 10 juni 2026, werd de procedurekalender vastgesteld en werden de partijen opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 25 juni 2026. De nota met opmerkingen en het administratief dossier werden ingediend overeenkomstig de procedurekalender. Auditeur Lennard Michaux heeft een verslag opgesteld over het beroep tot nietigverklaring met toepassing van artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’, en over de vordering tot schorsing met toepassing van artikel 17 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. Staatsraad Ann Coolsaet heeft verslag uitgebracht. Advocaat Wim Arslijder, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Marie De Meuter, die loco advocaten Stijn Butenaerts en Andy Hoedenaeken verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Lennard Michaux heeft een advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Op 7 april 2025 dient de bewakingsonderneming nv Securitas een aanvraag in om voor verzoeker een vernieuwing van een identificatiekaart als XII-10.106-2/11 bewakingsagent te verkrijgen overeenkomstig de wet van 2 oktober 2017 ‘tot regeling van de private en bijzondere veiligheid’ (hierna: wet van 2 oktober 2017). 3.2. Op 21 mei 2025 vraagt de gemachtigde ambtenaar een onderzoek naar de veiligheidsvoorwaarden in hoofde van verzoeker. 3.3. Op 12 juni 2025 wordt de identificatiekaart van verzoeker voorlopig vernieuwd in afwachting van het onderzoek naar de veiligheidsvoorwaarden. 3.4. Op 23 juli 2025 wordt het verslag van het onderzoek naar de veiligheidsvoorwaarden opgesteld. 3.5. Op basis van dit verslag adviseert de Commissie Onderzoeken naar de Veiligheidsvoorwaarden op 28 juli 2025 dat verzoeker niet aan de veiligheidsvoorwaarden voldoet en dat een procedure tot weigering van de afgifte van een identificatiekaart moet worden aangevat. 3.6. Bij aangetekende brief van 3 september 2025 deelt de directie Private Veiligheid aan verzoeker het voornemen mee om zijn identificatiekaart in te trekken. De brief vermeldt onder meer: “Na bovengenoemd advies van de Commissie beoogt de administratie de identificatiekaart in te trekken. In het verslag naar de veiligheidsvoorwaarden worden de volgende feiten naar voren gebracht: Proces-verbaal nr KO.60.L5.07455/22 uitgaande van de Lokale Politiezone MIRA inzake: ‘Wederrechtelijk bezit van verdovende middelen’. In een dossier waar meerdere dealers werden opgepakt was [verzoeker] een klant van hen. [Verzoeker] kocht bij zijn afnemers een tiental keer 1 gram cocaïne. VERHOOR [verzoeker]; [Verzoeker] geeft toe dat hij drugs kocht bij de opgepakte dealers. [verzoeker] kocht bij zijn afnemers een tiental keer 1 gram cocaïne. Hij betaalde 50 euro per bolletje (1 gram cocaïne). Ze hadden contact via snapchat. Beslissing parket: zonder gevolg – wanverhouding gevolgen van strafvervolging – maatschappelijke verstoring Uittreksel strafregister dd. 23/07/2025: 30/05/2022 POLITIERECHTBANK WEST-VL. AFD. KORTRIJK: Intoxicatie aan het stuur: adem- of bloedanalyse tss. 0,5 mg/l en 1,2 g/l Geldboete 200,00 EUR (x 8 = 1.600,00 EUR) (vervangend rijverbod: 60 dagen) met uitstel XII-10.106-3/11 3 jaren voor 100,00 EUR (x 8 =800,00 EUR) - Verlies van recht tot sturen 21 dagen van alle categorieën. 09/06/2023 POLITIERECHTBANK WEST-VL. AFD. KORTRIJK: Andere stoffen die de rijvaardigheid beïnvloeden (: herhaling) Geldboete 400,00 EUR (x 8 = 3.200,00 EUR) (vervangend rijverbod : 120 dagen) met uitstel 3 jaren voor 200,00 EUR (x 8 =1.600,00 EUR) - Verlies van recht tot sturen 3 maanden van alle categorieën - met examen(s): medisch-praktisch psychologisch- theoretisch met uitstel 3 jaren voor 1 [m]aand(en).” 3.7. Op 30 september 2025 dient de raadsman van verzoeker een schriftelijk verweer in. 3.8. Op 28 januari 2026 wordt verzoeker, bijgestaan door zijn raadsman, mondeling gehoord. Op 29 januari 2026 bezorgt de raadsman van verzoeker, in navolging van het mondeling horen, een afschrift van het strafdossier dat aanleiding gaf tot het vonnis van 9 juni 2023, vermeld in het voornemen tot weigering. 3.9. Op 26 februari 2026 beslist de directeur-generaal van de directie Private Veiligheid om de identificatiekaart van verzoeker als bewakingsagent in te trekken. Deze intrekking steunt op de vaststelling dat verzoeker niet voldoet aan de voorwaarde van artikel 61, 6°, van de wet van 2 oktober 2017, met name dat hij niet beantwoordt aan het profiel van artikel 64 van diezelfde wet. Dit is de bestreden beslissing. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging 4. Na de kennisgeving van het auditoraatsverslag hebben de beide partijen een brief neergelegd op het elektronisch platform – verzoeker op 17 juni 2026 in navolging van een op 8 juni 2026 bijkomend neergelegd stuk en de verwerende partij op 12 juni 2026 – met daarin hun argumentatie over de ontvankelijkheid ratione temporis van het beroep. XII-10.106-4/11 In zoverre deze brieven de neerslag vormen van de uiteenzetting ter terechtzitting, worden ze niet als een processtuk, maar als een loutere inlichting in aanmerking genomen. V. Toepassing van de kortedebattenprocedure 5. Het auditoraatsverslag stelt voor om het beroep niet-ontvankelijk ratione temporis te verklaren met toepassing van artikel 93 van de algemene procedureregeling. 6. De procedure die wordt voorzien in artikel 93 van de algemene procedureregeling moet met de nodige omzichtigheid worden toegepast. De inwilliging van het voorstel van het auditoraat door de alleen zetelende staatsraad ontzegt immers aan de partijen de waarborgen die de gewone rechtspleging biedt, en met name de behandeling van hun zaak door een kamer met drie magistraten en de mogelijkheid om hun standpunten schriftelijk uiteen te zetten. Op de vraag om een vernietigingsberoep met kort debat te behandelen wordt dan ook slechts ingegaan wanneer het op grond van een eenvoudige kennisname van het verzoekschrift en de voorgelegde gegevens onmiddellijk duidelijk is welke oplossing aan de zaak moet worden gegeven en/of wanneer de partijen geen ernstige betwisting lijken te kunnen voeren over de oplossing die in het auditoraatsverslag wordt voorgesteld. 7. Te dezen moet het beroep volgens het auditoraatsverslag niet- ontvankelijk ratione temporis worden verklaard, omdat het beroep via de elektronische procesvoering is ingediend op 6 mei 2026, terwijl uit de gegevens van het dossier blijkt dat de beroepstermijn uiterlijk op maandag 4 mei 2026 verstreek. Het gegeven dat het beroep ook reeds op 22 april 2026 werd ingediend bij aangetekende zending, doet volgens het auditoraat aan die vaststelling geen afbreuk. Het auditoraat wijst er in dat verband op dat de elektronische procesvoering luidens artikel 31bis, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad XII-10.106-5/11 van State verplicht is, onder meer, voor alle partijen die worden bijgestaan of vertegenwoordigd door een advocaat. 8. Verzoeker betwist ter terechtzitting de conclusies van het auditoraatsverslag, alsook dat de zaak kan worden beslecht middels de kortedebattenprocedure. Hij wijst er vooreerst op dat de bestreden beslissing vermeldt dat een beroep bij de Raad van State kan worden ingediend bij ter post aangetekende brief. Voorts voert verzoeker aan dat zijn raadsman telefonisch werd gecontacteerd door de griffie van de Raad van State met de vraag het verzoekschrift en de stukken ook digitaal op te laden, waarbij zou zijn vermeld dat dit enkel nodig was voor het vaststellen van het rolrecht. Tot slot voert verzoeker aan dat hij bewijst dat hij de brief met de bestreden beslissing heeft ontvangen op 10 maart 2026, zodat het digitaal indienen van het beroep op 6 mei 2026 nog binnen de beroepstermijn gebeurde. 9. De verwerende partij sluit zich aan bij het auditoraatsverslag. Zij beklemtoont dat de procesvoering overeenkomstig artikel 31bis, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State elektronisch moet verlopen, zodat enkel kan worden rekening gehouden met het op 6 mei 2026 – en dus buiten de beroepstermijn – elektronisch ingediende beroep. 10. Uit wat voorafgaat, blijkt dat verzoeker een ernstige betwisting lijkt te kunnen voeren over de oplossing die door het auditoraat wordt voorgesteld. De zaak leent zich dan ook niet tot een kort debat. De zaak wordt voor de behandeling ten gronde verwezen naar de gewone rechtspleging. XII-10.106-6/11 VI. Ontvankelijkheid van het beroep Uiteenzetting van de exceptie 11. De verwerende partij werpt op dat het beroep niet-ontvankelijk ratione temporis is. Zij zet uiteen dat de bestreden beslissing dateert van 24 februari 2026 en per aangetekende zending van 26 februari 2026 aan verzoeker werd betekend. Het beroep werd via de elektronische procesvoering pas ingediend op 6 mei 2026, ofwel 69 dagen nadat de verwerende partij de bestreden beslissing bij aangetekende zending heeft verzonden. Volgens de verwerende partij toont verzoeker niet aan dat het beroep binnen de beroepstermijn is ingediend. Beoordeling 12. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexceptie uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die exceptie zou alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. VII. Onderzoek van de vordering tot schorsing 13. Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van deze beslissing prima facie kan worden verantwoord. XII-10.106-7/11 VIII. Spoedeisendheid Uiteenzetting van de spoedeisendheid 14. In het verzoekschrift voert verzoeker aan dat de tenuitvoer- legging van de bestreden beslissing een “moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen”. Verzoeker wijst erop dat het beroep tot nietigverklaring geen schorsende werking heeft, zodat het verbod om activiteiten uit te oefenen die vallen onder het toepassingsgebied van de wet van 2 oktober 2017 blijft gelden. Volgens verzoeker heeft de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing tot gevolg dat zijn arbeidsbetrekking bij Securitas ten einde komt en hij zijn beroepsactiviteit in het winkelcentrum niet langer kan uitoefenen. Een latere nietigverklaring van de bestreden beslissing kan volgens verzoeker de beëindiging van de arbeidsbetrekking niet ongedaan maken. Verzoeker vraagt tot slot de aangevoerde aspecten van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel in globo te beschouwen. Beoordeling 15. Naar eis van artikel 17, § 2, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet de vordering tot schorsing “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van deze vordering wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 4, § 1, eerste lid, 5°, van het koninklijk besluit van 19 november 2024 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding en tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Dit houdt in dat het aan verzoeker toevalt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een – voortdurende – tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. Voorts kan luidens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de schorsing op elk moment worden bevolen indien de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep XII-10.106-8/11 tot nietigverklaring en minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden akte of het bestreden reglement prima facie kan worden verantwoord. Met deze wijzigingen aan artikel 17 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State beoogt de wetgever de schorsingsprocedure te optimaliseren en maatwerk mogelijk te maken op basis van de spoedeisendheid die in de vordering tot schorsing wordt aangevoerd. (Wetsontwerp tot wijziging van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, KAMER, 2022- 2023, 14 maart 2023, nr. 55-3220/1, 9). Het is evenwel niet de bedoeling met deze hervorming de strekking te wijzigen van het begrip spoedeisendheid zoals dat thans gedefinieerd is door de rechtspraak van de Raad van State. (Wetsontwerp tot wijziging van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, KAMER, 2022-2023, 14 maart 2023, nr. 55-3220/1, 11). Bijgevolg zal de spoedeisendheid worden vastgesteld wanneer de verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen. Wanneer de afdeling bestuursrechtspraak een vordering tot schorsing verwerpt wegens het gebrek aan spoedeisendheid, kan een nieuwe vordering slechts worden ingediend indien die steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen. De afdeling bestuursrechtspraak kan bovendien een termijn bepalen waarin geen enkele nieuwe vordering tot schorsing of tot het bevelen van voorlopige maatregelen kan worden ingediend indien het enig nieuw ingeroepen element bestaat uit het verloop van de tijd (artikel 17, § 2, derde lid, gecoördineerde wetten op de Raad van State). Uit wat voorafgaat, volgt dat niet zal volstaan te stellen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht. 16. Het verzoekschrift bevat geen formele uiteenzetting van de spoedeisendheid, maar enkel een uiteenzetting van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is – als één van de cumulatieve voorwaarden opdat de schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden bevolen – XII-10.106-9/11 evenwel reeds met ingang van 1 maart 2014 vervangen door de voorwaarde van de spoedeisendheid. De uiteenzetting van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan derhalve slechts in aanmerking worden genomen voor zover daaruit de gegevens die de spoedeisendheid van de vordering verantwoorden, op voldoende duidelijke wijze blijken. 17. Te dezen beperkt verzoeker zich onder de rubriek “[m]oeilijk te herstellen nadeel” tot het louter wijzen op de gevolgen van de bestreden beslissing: zijn actuele arbeidsbetrekking zou ten einde komen, zodat hij niet langer kan werken in het winkelcentrum. Verzoeker blijft echter in gebreke om in het verzoekschrift uiteen te zetten én te staven waarom hij die gevolgen niet zou kunnen verdragen in afwachting van een uitspraak over het beroep tot nietigverklaring. De loutere verklaring dat een nietigverklaring de beëindiging van de arbeidsbetrekking niet ongedaan maakt, volstaat daartoe niet. Verzoeker moet immers aantonen dat hij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen. Verzoeker maakt geen melding van onherroepelijke schadelijke gevolgen, laat staan dat hij die aantoont. Zelfs indien de Raad van State ter beoordeling van de spoedeisendheid rekening zou houden met de verwijzing naar een hypothecaire lening in de uiteenzetting van de feiten en voorgaanden in het verzoekschrift, dan nog moet worden vastgesteld dat verzoeker de spoedeisendheid niet aantoont. Verzoeker vermeldt weliswaar dat hij samen met zijn partner een hypothecaire lening afbetaalt ten bedrage van 2.085,95 euro per maand, doch staaft dit op generlei wijze. Evenmin verschaft hij enig inzicht in zijn financiële situatie, zijn reserves en het globale gezinsinkomen. 18. Uit wat voorafgaat, volgt dat verzoeker niet aantoont dat er sprake is van spoedeisendheid. XII-10.106-10/11 IX. Conclusie 19. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn, wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. BESLISSING 1. De Raad van State heropent het debat. 2. De zaak wordt verwezen naar de gewone rechtspleging. 3. De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zesentwintig juni tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Ann Coolsaet, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Ann Coolsaet XII-10.106-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.267.255