Legislator Rechtsdatenbank & Rechtsprechung
ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.267.248 ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.267.248 KI-strukturiert

ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.267.248 — ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.267.248 — Conseil d'État

Geschäftsnummer ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.267.248
Gericht / Behörde
Entscheiddatum
Rechtsordnung Belgien — Rechtsprechung (BE)

Zusammenfassung (Sachverhalt & Erwägungen)

KI-strukturiert

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 267.248 van 25 juni 2026 in de zaak A. 241.293/IX-10.422 In zake : A.C. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Peter Roosens en Thomas Van Roeyen kantoor houdend te 3000 Leuven Quinten Metsysplein 12 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : I. de VLAAMSE GEMEENSCHAP, vertegenwoordigd door: 1. de Vlaamse Regering 2. de Beroepscommissie voor tuchtzake...

Leitsatz / Regeste

KI-strukturiert
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 267.248 van 25 juni 2026 in de zaak A. 241.293/IX-10.422 In zake : A.C. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Peter Roosens en Thomas Van Roeyen kantoor houdend te 3000 Leuven Quinten Metsysplein 12 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : I. de VLAAMSE GEMEENSCHAP, vertegenwoordigd door: 1. de Vlaamse Regering 2. de Beroepscommissie voor tuchtzake...

Fragen Sie sich, wie dieser Entscheid auf Ihren Fall anwendbar ist?

Prüfen Sie diesen Entscheid zusammen mit Bundesrecht, kantonalen Erlassen, Kommentaren und Folgeentscheiden in Legislator AI.

Fall in Legislator öffnen →

Volltext des Entscheids — ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.267.248

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 267.248 van 25 juni 2026 in de zaak A. 241.293/IX-10.422 In zake : A.C. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Peter Roosens en Thomas Van Roeyen kantoor houdend te 3000 Leuven Quinten Metsysplein 12 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : I. de VLAAMSE GEMEENSCHAP, vertegenwoordigd door: 1. de Vlaamse Regering 2. de Beroepscommissie voor tuchtzaken bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bart Staelens en Joost Hoste kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen II. het OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN BEKKEVOORT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jonas De Wit kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 20 februari 2024, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van het vast bureau van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Bekkevoort van 3 juli 2023 waarbij aan verzoekster de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd en van de beslissing van de Beroepscommissie voor tuchtzaken van 22 december 2023 waarbij het beroep van verzoekster ontvankelijk maar ongegrond wordt verklaard en de tuchtbeslissing van 3 juli 2023 wordt bevestigd. IX-10.422-1/49 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partijen hebben elk een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partijen hebben elk een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 18 mei 2026. Staatsraad Jurgen Neuts heeft verslag uitgebracht. Advocaat Peter Roosens, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Caroline Cleynen, die loco advocaten Bart Staelens en Joost Hoste verschijnt voor de eerste verwerende partij en advocaat Oona Fransen, die loco advocaat Jonas De Wit verschijnt voor de tweede verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoekster is sinds 1996 secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn (“OCMW”) van de gemeente Bekkevoort. IX-10.422-2/49 3.2. Na de inwerkingtreding van het decreet van 22 december 2017 ‘over het lokaal bestuur’ (“decreet lokaal bestuur”) wordt – met toepassing van artikel 584, § 1, van dat decreet – de gemeentesecretaris met ingang van 1 augustus 2018 van rechtswege aangesteld als waarnemend algemeen directeur. Verzoekster wordt aangesteld in de tijdelijke functie ‘directeur Zorg en Sociale Zaken’. 3.3. Op 21 januari 2019 beslist de gemeenteraad om, met toepassing van artikel 583, § 1, van het decreet lokaal bestuur, zowel de waarnemend algemeen directeur als verzoekster op te roepen om zich kandidaat te stellen voor het ambt van algemeen directeur. Beiden dienen hun kandidatuur in. 3.4. Vanaf 5 februari 2019 is verzoekster afwezig wegens ziekte. 3.5. Op 21 oktober 2019 stelt de gemeenteraad de gewezen gemeentesecretaris aan als algemeen directeur. 3.6. Op 27 december 2021 beslist het vast bureau om verzoekster met ingang van 1 januari 2022 aan te stellen als afdelingshoofd Mens, met behoud van de aard van haar dienstverband, haar geldelijke anciënniteit en haar salarisschaal. Tevens wordt beslist dat deze functie deel uitmaakt van het managementteam en dat de algemeen directeur zal bepalen welke dossiers vanuit andere afdelingen of diensten moeten worden overgedragen aan het afdelingshoofd Mens en hoe die overdracht moet gebeuren. Bij arrest nr. 260.042 van 6 juni 2024 verwerpt de Raad van State verzoeksters beroep tot nietigverklaring gericht tegen deze beslissing. IX-10.422-3/49 3.7. Op 16 augustus 2022 biedt verzoekster zich, “onder voorbehoud van al haar rechten”, aan om het werk te hervatten. Er vindt een gesprek plaats met de algemeen directeur, de waarnemend algemeen directeur en de burgemeester, tevens voorzitter van het vast bureau. Verzoekster hervat daarop het werk tot zij op 4 september 2022 opnieuw uitvalt wegens ziekte. 3.8. Op 24 oktober 2022 neemt het vast bureau kennis van een feitenmelding van 10 oktober 2022 en beslist het om een tuchtprocedure jegens verzoekster op te starten en een tuchtonderzoeker aan te stellen. 3.9. Op 13 maart 2023 neemt het vast bureau kennis van het tuchtverslag van 27 februari 2023 en beslist het tot het voortzetten van de tuchtprocedure. 3.10. Verzoekster gehoord, beslist het vast bureau op 3 juli 2023 om aan verzoekster de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. Dat is de eerste bestreden beslissing. 3.11. Daartegen stelt verzoekster een beroep in bij de Beroepscommissie voor tuchtzaken (“ beroepscommissie”). 3.12. Op 22 december 2023 oordeelt de beroepscommissie dat verzoeksters beroep ontvankelijk maar ongegrond is en bevestigt zij de tuchtbeslissing van 3 juli 2023. Dat is de tweede bestreden beslissing. IX-10.422-4/49 IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel 4. Het eerste middel betreft “de bevoegdheid van het vast bureau als tuchtoverheid: schending van artikel 201 j.o. artikel 56 § 3 2° DLB (decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017) en van het zorgvuldigheidsbeginsel en de materiële motiveringsplicht als beginselen van behoorlijk bestuur”. Verzoekster voert in essentie aan dat niet het vast bureau maar het college van burgemeester en schepenen de bevoegde tuchtoverheid is. In de memorie van wederantwoord doet verzoekster “afstand van dit middel, gelet op het arrest [nr. 260.042] van de Raad van State van 6 juni 2024 […], in het bijzonder de verwerping van het tweede middel dat zij in die zaak ontwikkeld had”. 5. De Raad van State neemt akte van deze afstand van het middel. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 6. Het tweede middel is geput uit de schending van artikel 3, § 3, van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2018 ‘tot vaststelling van de tuchtprocedure voor het statutaire personeel van het lokaal bestuur en tot vaststelling van de werking, de samenstelling en de vergoeding van de leden van de Beroepscommissie voor Tuchtzaken’ (“tuchtprocedurebesluit”) en de materiëlemotiveringsplicht. Verzoekster doet gelden dat zij voor de beroepscommissie heeft aangevoerd dat in de beslissing tot het opstarten van de tuchtprocedure van 24 oktober 2022 haar ten laste is gelegd dat zij heeft geweigerd om de functiebeschrijving ‘afdelingshoofd Mens’ voor akkoord te ondertekenen, terwijl IX-10.422-5/49 in het verslag van de tuchtonderzoeker van 27 februari 2023 haar wordt verweten dat zij de voormelde functie heeft geweigerd en het tuchtfeit aldaar zelfs wordt omschreven als de “weigering om de functie van afdelingshoofd op te nemen”, dat deze beweerde werkweigering een veel zwaarder tuchtfeit is dan het niet- ondertekenen van de functiebeschrijving en niet ermee samenvalt, dat het bijgevolg een nieuw tuchtfeit betreft dat aan verzoekster in de loop van de tuchtprocedure ten laste is gelegd, dat artikel 3, § 3, van het tuchtprocedurebesluit bepaalt dat als er tijdens het tuchtonderzoek nieuwe tuchtfeiten worden vastgesteld en de tuchtoverheid beslist om die nieuwe feiten toe te voegen aan het lopende tuchtonderzoek, zij het betrokken personeelslid daarvan onmiddellijk op de hoogte moet brengen en daarbij de aard van de feiten moet vermelden, evenals de datum waarop de tuchtoverheid de feiten heeft vastgesteld of kennis ervan heeft gekregen, dat dit voorschrift erop gericht is het tuchtrechtelijk vervolgde personeelslid te beschermen, dat de tuchtoverheid dit voorschrift niet heeft nageleefd, dat ook het vierde door de tuchtonderzoeker vastgestelde tuchtfeit – de waardigheid van het ambt van afdelingshoofd Mens in het gedrang brengen door het stellen van de drie tuchtfeiten – een nieuw tuchtfeit is, aangezien daarvan in het vooronderzoek en in de kennisgeving van het opstarten van het tuchtonderzoek geen sprake was, maar dat zij die vaststelling van minder belang acht omdat dit niet als een afzonderlijk tuchtfeit kan worden beschouwd. Verzoekster sluit zich aan bij de stelling van de beroepscommissie dat de tuchtfeiten die uiteindelijk in aanmerking worden genomen niet exact of woordelijk moeten overeenstemmen met de feiten die de oorzaak vormen voor het opstarten van de tuchtprocedure. Zij is het echter oneens met het oordeel dat “de feiten die […] de reden vormden voor het opstarten van het tuchtonderzoek tegen haar ‘tweeledig’ waren ‘namelijk enerzijds het weigeren van het uitvoeren van haar toegewezen taken of werkweigering en anderzijds het onrechtmatig digitaal inkijken van dossiers’” en dat “‘de weigering om de functie van afdelingshoofd Mens uit te voeren vervat zit in de aard van de feiten die werden meegedeeld’ aan [haar], waardoor er geen sprake is van nieuwe feiten in de zin van artikel 3 § 3 Tuchtprocedurebesluit”. In de mate dat de beroepscommissie voor dat IX-10.422-6/49 oordeel steunt op de mededeling bij het opstarten van het tuchtonderzoek op 24 oktober 2022, meent verzoekster dat zij de materiëlemotiveringsplicht miskent. 7. In de memorie van wederantwoord ontkent verzoekster dat uit de laatste zin van de feitenmelding “[verzoekster] weigerde echter uitdrukkelijk om deze taken op te nemen” kan worden afgeleid dat zij tijdens het gesprek van 16 augustus 2022 heeft gezegd dat zij weigerde om de functie van afdelingshoofd Mens uit te voeren. Zij argumenteert dat de “taken” waarnaar wordt verwezen enkel de taken kunnen zijn die in de daaraan voorafgaande zin worden vermeld, namelijk “de opvolging, het bijwonen en afwerken van het Bijzonder Comité voor de Sociale Dienst”, die de algemeen directeur nog via een delegatiebesluit zou opdragen. Met betrekking tot de functie van afdelingshoofd Mens wordt nergens in de feitenmelding gewag gemaakt van “taken”. Er wordt alleen vermeld dat verzoekster heeft geweigerd om de nieuwe functiebeschrijving voor akkoord te ondertekenen. Ook uit de notities van het gesprek van 16 augustus 2022 blijkt, zo stelt verzoekster, dat zij niet heeft gezegd dat zij weigerde om de functie van afdelingshoofd Mens op te nemen. Bovendien valt de door verzoekster bekritiseerde interpretatie niet te rijmen met het feit dat het bestuur na het gesprek van 16 augustus 2022 geen enkele actie heeft ondernomen tegen de beweerde weigering van verzoekster om haar werk uit te voeren, noch met de beslissingen die het bestuur na de kennisname van de feitenmelding heeft genomen. Zo maakt het vast bureau in de beslissing tot het opstarten van de tuchtprocedure helemaal geen melding van een weigering door verzoekster om haar functie uit te oefenen en het heeft verzoekster ook niet preventief geschorst, wat het ongetwijfeld zou hebben gedaan mocht verzoekster hebben geweigerd de functie uit te oefenen. Het vast bureau heeft daarenboven op 31 oktober 2022 nog een ‘afsprakenkader bij werkhervatting’ goedgekeurd. Ook daarin staat nergens dat verzoekster heeft geweigerd haar functie uit te voeren, maar enkel dat zij betwist dat deze functie passend is in de zin van het decreet lokaal bestuur. IX-10.422-7/49 8. In haar laatste memorie geeft verzoekster nog aan niet te betwisten, zoals in het auditoraatsverslag werd vastgesteld, dat zij “zeer duidelijk op de hoogte was van de tuchtfeiten die haar ten laste werden gelegd” en “uitgebreid verweer heeft gevoerd tegen het tuchtfeit betreffende de weigering om de functie van afdelingshoofd Mens uit te voeren”. Dit doet volgens haar evenwel niets af aan het feit dat de beroepscommissie de materiëlemotiveringsplicht en het tuchtprocedurebesluit heeft geschonden. Beoordeling 9. Artikel 3, § 3, van het tuchtprocedurebesluit luidt als volgt: “Als tijdens het tuchtonderzoek nieuwe tuchtfeiten worden vastgesteld waarvan de tuchtoverheid en de tuchtonderzoeker kennis krijgen, kan de tuchtoverheid beslissen om die nieuwe feiten toe te voegen aan het lopende tuchtonderzoek. De tuchtoverheid geeft aan de tuchtonderzoeker de opdracht een aanvullend tuchtonderzoek te verrichten, een aanvullend tuchtverslag op te maken en een aanvullend tuchtdossier samen te stellen. De tuchtoverheid brengt het betrokken personeelslid onmiddellijk op de hoogte van de beslissing om die nieuwe feiten toe te voegen aan het lopende tuchtonderzoek. Ze vermeldt daarbij de aard van de feiten en de datum waarop de tuchtoverheid de feiten heeft vastgesteld of er kennis van heeft gekregen.” 10. Uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat het vast bureau op 24 oktober 2022 kennis heeft genomen van de feitenmelding van 10 oktober 2022 en heeft beslist tot het opstarten van een tuchtprocedure en een tuchtonderzoek lastens verzoekster. In de feitenmelding – hernomen in de beslissing van 24 oktober 2022 – is onder meer te lezen wat volgt: “Op 16 augustus 2022, de dag van haar werkhervatting, heeft [verzoekster] geweigerd om de nieuwe functiebeschrijving Afdelingshoofd Mens voor akkoord te ondertekenen, aangezien zij de inhoud van de passende functie betwist. De algemeen directeur vroeg tevens aan [verzoekster] om de opvolging, het bijwonen en afwerken van het Bijzonder Comité voor de IX-10.422-8/49 Sociale Dienst op zich te nemen. De algemeen directeur zou het delegatiebesluit nog bezorgen aan [verzoekster]. [Verzoekster] weigerde echter uitdrukkelijk om deze taken op te nemen.” Daaruit blijkt dat aan verzoekster niet enkel wordt verweten dat zij heeft geweigerd om de functiebeschrijving van afdelingshoofd Mens voor akkoord te ondertekenen, maar tevens dat zij weigerde de haar toegewezen “taken” op te nemen. 11. Daargelaten of, zoals verzoekster betoogt, met deze “taken” in de feitenmelding slechts wordt gerefereerd aan “de opvolging, het bijwonen en afwerken van het Bijzonder Comité voor de Sociale Dienst” en níét aan de opdrachten van afdelingshoofd Mens, stelt de Raad van State vast wat volgt. In het tuchtverslag van 27 februari 2023 wordt aan verzoekster ten laste gelegd dat zij heeft geweigerd de functie van afdelingshoofd Mens op te nemen alsook in te staan voor de opvolging, het bijwonen en afwerken van het bijzonder comité voor de sociale dienst. Op 13 maart 2023 neemt het vast bureau kennis van dit verslag en beslist het om de tuchtprocedure voort te zetten. Met een schrijven van 14 maart 2023 wordt verzoekster hiervan in kennis gesteld. In dat schrijven worden de ten laste gelegde feiten onder meer omschreven als volgt: “● U heeft de functie van afdelingshoofd Mens geweigerd, hoewel de functiebeschrijving van afdelingshoofd Mens grotendeels gebaseerd was op de functiebeschrijving van OCMW-secretaris en de tijdelijke functie van directeur Zorg en Sociale Zaken. ● U heeft geweigerd om de opvolging, het bijwonen en afwerken van het bijzonder comité sociale dienst (BCSD) op te nemen, hoewel ze dit takenpakket wel opnam toen dit in de vorige legislaturen nog door de OCMW-raad werd behandeld.” Verzoekster was bijgevolg duidelijk op de hoogte van de tuchtfeiten die haar ten laste werden gelegd en zij heeft daartegen nuttig verweer kunnen voeren, zodat moet worden geoordeeld dat het normdoel van de bepalingen van artikel 3, § 3, van het tuchtprocedurebesluit werd bereikt. Uit het proces- IX-10.422-9/49 verbaal van de hoorzitting voor het vast bureau blijkt trouwens dat verzoekster uitgebreid verweer heeft gevoerd tegen de tenlastelegging inzake de weigering om de functie van afdelingshoofd Mens uit te voeren. Van een schending van artikel 3, § 3, van het tuchtprocedurebesluit overtuigt verzoekster alvast niet. 12. Terecht stelt de tweede verwerende partij dat het in het gedrang brengen van de waardigheid van het ambt van afdelingshoofd Mens door het stellen van drie tuchtfeiten – waarvan verzoekster beweert dat het óók een nieuw tuchtfeit betreft – eerder een gevolgtrekking is uit de drie tuchtfeiten, dan een nieuw tuchtfeit. Bovendien blijkt dat in de beslissing van het vast bureau van 24 oktober 2022 tot het opstarten van een tuchtprocedure reeds wordt vermeld dat “de handelingen mogelijks van die aard [zijn] dat ze een tekortkoming aan de beroepsplichten uitmaken en/of de waardigheid van het ambt van betrokkene in gedrang brengen”. 13. Uit wat voorafgaat, blijkt dat de beroepscommissie de materiëlemotiveringsplicht niet miskent wanneer zij overweegt wat volgt: “De aard van de feiten die de reden vormen voor de opstart van het tuchtonderzoek lastens [verzoekster] zijn tweeledig namelijk enerzijds het weigeren van het uitvoeren van haar toegewezen taken of werkweigering en anderzijds het onrechtmatig digitaal inkijken van dossiers. De weigering om de functie afdelingshoofd Mens uit te voeren zit vervat in de aard van de feiten die werden meegedeeld aan [verzoekster]. Er is geen sprake van nieuwe feiten in de zin van artikel 3, § 3 van [het] tuchtprocedurebesluit. Nieuwe tuchtfeiten moeten beschouwd worden als tuchtfeiten die losstaan van de oorspronkelijk vastgestelde feiten en die op zichzelf een tuchtonderzoek kunnen verantwoorden. De weigering om de haar toegewezen taken en functie uit te oefenen, kan niet beschouwd worden als nieuw feit in hoofde van [verzoekster] maar valt integendeel integraal onder de aard van de feiten die haar werden meegedeeld bij het opstarten van de tuchtprocedure. 12. De rechten van verdediging in tuchtzaken houden in dat een tuchtstraf pas kan worden opgelegd nadat betrokkene kennis heeft gekregen van de ten laste gelegde feiten en nadat betrokkene de gelegenheid heeft gekregen om zich op een behoorlijke wijze te verdedigen. [Verzoekster] werd op 14 maart 2023 in kennis gesteld van het tuchtverslag IX-10.422-10/49 en de beslissing van de tuchtoverheid om de tuchtprocedure verder te zetten. Daarin was opgenomen welke tuchtfeiten volgens de tuchtonderzoeker voldoende bewezen waren waaronder de weigering om de functie afdelingshoofd Mens uit te voeren. De hoorzitting van de tuchtoverheid vond plaats op 27 april 2023. [Verzoekster] was op dat moment reeds anderhalve maand in kennis van de tuchtfeiten die volgens de tuchtonderzoeker afdoende bewezen waren, waaronder de weigering om de functie afdelingshoofd Mens uit te oefenen. [Verzoekster] heeft de kans gehad om een verweer te ontwikkelen en haar rechten van verdediging werden niet geschonden in de tuchtprocedure. 13. [Verzoekster] werpt op dat het 4e tuchtfeit eveneens een nieuw tuchtfeit is dat niet correct ter kennis werd gebracht en waarvan in het vooronderzoek en de kennisgeving van het opstarten van het tuchtonderzoek aan [verzoekster] geen sprake was. Het gaat om het tuchtfeit: ‘de waardigheid van het ambt van afdelingshoofd Mens in het gedrang gebracht (te hebben) door het stellen van de drie bewezen tuchtfeiten.’ In het tuchtbesluit van OCMW Bekkevoort en [in] de kennisgeving aan [verzoekster] is echter de volgende passage opgenomen: ‘Bovendien zijn de handelingen mogelijk van die aard dat ze een tekortkoming beroepsplichten uitmaken en/of de waardigheid van het ambt van de betrokkene in gedrang brengen.’ Ook het 4e tuchtfeit werd dus aan [verzoekster] ter kennis gebracht in de beslissing om de tuchtprocedure op te starten.” 14. Of verzoekster daadwerkelijk heeft geweigerd om de functie van afdelingshoofd Mens op te nemen en of zulks zou blijken uit, dan wel worden tegengesproken door notities van het gesprek met verzoekster op 16 augustus 2022 en de handelwijze van het bestuur nadien, is vreemd aan de strekking van dit middel. Die kritiek komt ter sprake in het derde middel. 15. Het tweede middel kan niet tot vernietiging leiden. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel 16.1. Het derde middel is genomen uit de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, de materiëlemotiveringsplicht en het redelijkheidsbeginsel. IX-10.422-11/49 Verzoekster voert, in het algemeen, aan dat de tuchtoverheid de feitelijke gegevens uit het tuchtdossier en de door verzoekster bijgebrachte stukken niet correct heeft beoordeeld en ten onrechte heeft besloten dat er sprake is van tuchtfeiten die een ontslag van ambtswege rechtvaardigen. De beroepscommissie had, na analyse van de argumenten van verzoekster en eventueel na nader onderzoek van de feiten, dan ook moeten oordelen dat de tuchtoverheid niet “naar recht en redelijkheid” tot haar voorstelling van de tuchtfeiten is kunnen komen en dat zij ten onrechte de feiten voor bewezen heeft gehouden. 16.2. Met betrekking tot het tuchtfeit ‘weigering om de functie van afdelingshoofd Mens uit te voeren’ wijst verzoekster erop dat zij voor de tuchtoverheid had geargumenteerd dat zij “helemaal niet geweigerd heeft om de functie zelf uit te voeren”, dat de tuchtoverheid dat tuchtfeit “desalniettemin” voor bewezen heeft gehouden en dat zij vervolgens voor de beroepscommissie “op zeer omstandige wijze kritiek [heeft] geformuleerd op deze beslissing”, waarna zij de nota die zij bij de beroepscommissie heeft neergelegd op dat punt integraal aanhaalt. Met de kritiek die zij daarin heeft uiteengezet, heeft verzoekster, zo stelt zij, “ruimschoots voldaan […] aan wat de Beroepscommissie – niet ten onrechte – verwacht van een personeelslid dat beroep aantekent tegen een tuchtsanctie, nl. dat het ‘aan het betrokken personeelslid is om gegevens aan te brengen waaruit zou kunnen blijken dat de tuchtoverheid de gegevens van de zaak verkeerd of buiten alle redelijkheid heeft beoordeeld’”. Verzoekster is echter de mening toegedaan dat de beroepscommissie heeft nagelaten om deze kritiek grondig te onderzoeken en te beoordelen. De beroepscommissie motiveert enkel dat zij heeft vastgesteld dat verzoekster “slechts 1 e-mail kan bijbrengen die moet aantonen dat zij gedurende 14 werkdagen haar taken heeft uitgevoerd”. Dat blijkt volgens verzoekster echter helemaal niet uit het tuchtdossier. De beroepscommissie kon dus niet besluiten dat “toch aangenomen (moet) worden dat het effectief uitvoeren van haar functie als afdelingshoofd Mens in meer had moeten resulteren dan 1 e-mail die zij kan bijbrengen”. Ook de bewering dat verzoekster “[v]oor het overige […] enkel aanwezig geweest [is] op overleg met IX-10.422-12/49 anderen waarvoor zij was uitgenodigd” en dat zij “op geen enkel moment zelf een overleg georganiseerd [heeft]” vindt absoluut geen steun in het tuchtdossier, integendeel. De beroepscommissie kon bijgevolg “redelijkerwijze niet besluiten dat ‘de tuchtoverheid, door te oordelen dat de feiten van afwezigheid (sic) als tuchtfeiten bewezen zijn’ niet ‘onredelijk of anderszins onwettig’ gehandeld heeft”. 16.3. Wat het tuchtfeit ‘weigering om de taken betreffende het bijzonder comité voor de sociale dienst uit te voeren’ betreft, betoogt verzoekster dat zij voor de tuchtoverheid uitdrukkelijk heeft betwist dat zij de haar toegewezen taken heeft geweigerd uit te voeren. Zij stelt voor de beroepscommissie “op zeer omstandige wijze” kritiek te hebben geformuleerd en citeert vervolgens in extenso haar beroepschrift voor de beroepscommissie. Vervolgens doet zij gelden wat volgt: “Voor dit tuchtfeit geldt mutatis mutandis hetzelfde als wat hiervoor m.b.t. het 1ste tuchtfeit uiteengezet werd. De beslissing van de Beroepscommissie steunt niet op draagkrachtige motieven. Ze getuigt van een gebrek aan zorgvuldigheid, en toont aan dat de Beroepscommissie de kritiek van [verzoekster] niet grondig onderzocht heeft. Anders dan wat de Beroepscommissie geoordeeld heeft (onder randnummer 20 van haar beslissing) blijkt hoegenaamd niet uit de stukken van het tuchtdossier dat [verzoekster] ‘op verschillende momenten gezegd (heeft) dat ze weigerde de taken in het kader van het Bijzonder Comité voor de Sociale Dienst uit te voeren’. De beroepscommissie, die zelf niet het minste onderzoek gedaan heeft naar de feiten en zich dus enkel kon baseren op de stukken van het tuchtdossier en de verklaringen van de partijen in geschriften en op de hoorzitting, kon op basis van al die elementen redelijkerwijze niet beslissen dat er voor dit tuchtfeit een ‘bekentenis’ is van [verzoekster], en al evenmin dat er van haar kant een ‘beslissing’ was om de taken te weigeren die ‘werkweigering’ uitmaakt. De beroepscommissie had integendeel ook voor dit 2de tuchtfeit moeten beslissen dat de tuchtoverheid binnen de perken van de redelijkheid onmogelijk tot het besluit kon komen dat het bewezen is.” 16.4. Met betrekking tot ‘de beweerde onrechtmatige digitale inzage van haar eigen dossier’ voert verzoekster aan dat zij voor de beroepscommissie IX-10.422-13/49 heeft betoogd dat het “slechts voor een deel bewezen [is]”, maar dat het “geen tuchtvergrijp” uitmaakt. In dat verband wijst zij erop dat de beroepscommissie voor haar beslissing steunt op stuk nr. 155 van het administratief dossier, een stuk dat is aangeleverd door de softwareleverancier. Dat dit document “weldegelijk objectief en voldoende duidelijk” is, staaft de commissie volgens verzoekster op geen enkele manier. De beroepscommissie meent dat uit dat document is af te leiden dat verzoekster “tijdens haar ziekteverlof via digitale weg inzage heeft genomen in dossiers die haar aanbelangden en die betrekking hadden op de procedures waarin zij met OCMW Bekkevoort tegenstrijdige belangen had”. Dat blijkt, aldus verzoekster, geenszins. Volgens verzoekster had de beroepscommissie – net als de tuchtoverheid – minstens moeten uitleggen welke feitelijke vaststellingen zij op grond van dat document heeft kunnen maken die haar ertoe hebben gebracht om tot haar besluit over dit tuchtfeit te komen. Verzoekster geeft nog aan voor de beroepscommissie te hebben aangevoerd dat het om een “eenzijdig opgesteld, anoniem document” gaat, waarvan de vermeldingen volstrekt niet te controleren zijn. Niet kan worden nagegaan, zo argumenteert zij, wie de in het document vermelde zoekopdrachten heeft gegeven, wanneer ze zijn gegeven, wat de precieze opdrachten waren en wat de resultaten en eventuele commentaren daarbij waren, hoe de verschillende vermeldingen op het document moeten worden begrepen, waaruit kan worden afgeleid dat de inzage met zekerheid door verzoekster zelf is gebeurd, welke documenten zij precies heeft aangeklikt en of zij die documenten ook echt heeft ingekeken. De beroepscommissie licht nergens toe waarom deze opmerkingen niet pertinent zijn, meent verzoekster. IX-10.422-14/49 Aangezien de beroepscommissie op grond van het voormelde document redelijkerwijze niet kon besluiten dat verzoekster “gegevens en/of dossiers” heeft geraadpleegd, kon zij ook niet oordelen dat verzoekster door het raadplegen van dergelijke gegevens of dossiers een inbreuk heeft begaan op de artikelen 5.1 en 5.4.1 van bijlage 6 van het arbeidsreglement en op artikel 188, § 1, van het decreet lokaal bestuur, zo besluit verzoekster. 17.1. In de memorie van wederantwoord stelt verzoekster met betrekking tot het eerste tuchtfeit dat het tuchtverslag niet draagkrachtig is in die zin dat uit geen van de verklaringen van de personeelsleden die de tuchtonderzoeker heeft gehoord, kan worden afgeleid dat zij zich aan werkweigering schuldig heeft gemaakt. Voorts benadrukt verzoekster dat uit de feitelijke vaststellingen in het tuchtverslag niet kan worden afgeleid dat zij heeft geweigerd om de functie van afdelingshoofd Mens op te nemen. Behalve het niet ondertekenen van de functiebeschrijving komt geen enkele concrete instructie of taak ter sprake die zij niet zou hebben nageleefd of uitgevoerd. Evenmin blijkt dat verzoekster tijdens haar werkhervatting enige aanmaning zou hebben ontvangen omdat zij haar functie weigerde uit te oefenen. Anders dan de verwerende partijen stellen, meent verzoekster dat de tuchtoverheid hier wél nader onderzoek naar kon én diende te voeren. De tuchtoverheid moet immers onderzoeken of de feitelijke vaststellingen van de tuchtonderzoeker het ten laste gelegde tuchtfeit schragen en een tuchtvergrijp uitmaken, waarvoor een tuchtsanctie moet worden opgelegd. Verzoekster stelt voorts dat de stelling van de eerste verwerende partij dat zij te kennen heeft gegeven niets te willen doen, in strijd is met de stukken van het dossier. Ook ontkent zij dat zij op de hoorzitting voor de tuchtoverheid heeft bevestigd dat zij weigerde overleg te plegen. Verzoekster betwist ook de stelling van de verwerende partijen dat zij in het verzoekschrift – en het beroepschrift voor de beroepscommissie – zelf heeft aangegeven dat zij heeft geweigerd om de functie van afdelingshoofd Mens op te nemen. Volgens verzoekster heeft zij enkel aangevoerd dat zij niet akkoord gaat met de functie van afdelingshoofd Mens en dat zij in die zin de functie weigert te aanvaarden. Dit gaat echter louter over haar standpunt dat die functie niet passend is in de zin van het decreet lokaal bestuur en er kan geenszins uit worden afgeleid dat zij de functie van afdelingshoofd Mens IX-10.422-15/49 weigerde uit te voeren. Verzoekster spreekt ook tegen dat de tweede verwerende partij heeft weerlegd dat zij taken als afdelingshoofd Mens heeft uitgevoerd. Dienaangaande stipt zij vooreerst aan dat de verwerende partijen in hun betoog er van uitgaan dat zij moet bewijzen dat zij niet heeft geweigerd om haar functie uit te voeren. Voorts is zij van oordeel dat de door de tweede verwerende partij aangehaalde e-mails niet weerleggen wat zij voor de beroepscommissie heeft uiteengezet. Zo kan, bijvoorbeeld, uit een e-mail van de hoofdmaatschappelijk werker van 30 augustus 2022 niet worden afgeleid dat verzoekster de investeringsprojecten niet opvolgde, noch hieromtrent enige verantwoordelijkheid nam. Voor de andere documenten die de tweede verwerende partij bijbrengt, geldt volgens verzoekster evenzeer dat ze niet weerleggen dat uit verschillende elementen van het tuchtdossier blijkt dat zij in de korte periode dat zij het werk heeft hervat wel degelijk inspanningen heeft geleverd om haar nieuwe functie uit te oefenen. Volgens verzoekster had de beroepscommissie – en ook de tuchtoverheid – dan ook moeten vaststellen dat er in het tuchtdossier geen bewijs van werkweigering terug te vinden is. Tot slot acht verzoekster het naast de kwestie dat de tweede verwerende partij, met betrekking tot haar stelling dat het vast bureau na het gesprek van 16 augustus 2022 nog twee maanden heeft gewacht om de tuchtprocedure op te starten, erop wijst dat het vast bureau zes maanden de tijd had om een tuchtprocedure te starten. Zij heeft niet beweerd dat er een probleem was van verjaring van de tuchtvordering, maar wel dat het vast bureau actie zou hebben ondernomen mocht verzoekster tijdens het gesprek van 16 augustus 2022 hebben gezegd dat zij de functie van afdelingshoofd Mens niet zou uitvoeren en al zeker indien er in de dagen na dat gesprek zou zijn gebleken dat zij haar functie daadwerkelijk niet uitoefende. Hetzelfde geldt, zo stelt verzoekster, voor de duiding die de tweede verwerende partij verstrekt bij de goedkeuring van een afsprakenkader op 31 oktober 2022. Volgens verzoekster is het punt dat zij wil maken dat er in dat afsprakenkader helemaal niets te lezen staat over een werkweigering en dat niet valt in te zien waarom het vast bureau nog een afsprakenkader zou goedkeuren als er al was gebleken dat zij weigerde om te werken. IX-10.422-16/49 17.2. Inzake het tweede tuchtfeit argumenteert verzoekster dat de eerste verwerende partij niet in concreto weerlegt dat uit geen enkel stuk van het tuchtdossier blijkt dat zij heeft geweigerd om de haar op 3 november 2022 toegewezen taken inzake het bijzonder comité voor de sociale dienst uit te voeren. In zoverre de eerste verwerende partij aanstipt dat de beroepscommissie heeft vastgesteld dat verzoekster verschillende keren heeft gezegd dat zij die taken weigerde uit te voeren – en dit als een bekentenis aanziet – merkt verzoekster op dat wat zij over die taken heeft gezegd vóór ze effectief aan haar zijn toegewezen niet relevant is en zeker geen bekentenis kan zijn. Bovendien is er, aldus verzoekster, geen eensgezindheid over wat zij hierover op 16 augustus 2022 heeft gezegd. Uit wat zij hieromtrent tijdens de hoorzitting heeft uiteengezet – en wat niet wordt tegengesproken of weerlegd – kan enkel worden afgeleid dat zij heeft geprotesteerd tegen het voornemen van de algemeen directeur om haar de taken inzake het bijzonder comité toe te wijzen en vooral tegen de beslissing van het bestuur om geen nieuwe hoofdmaatschappelijk werker aan te werven. Dat protest kan niet worden gelijkgesteld met een weigering om de taken met betrekking tot het bijzonder comité voor de sociale dienst uit te voeren en ook niet met een bekentenis van een dergelijke (toekomstige) weigering. Na de daadwerkelijke delegatie van de bevoegdheid door de algemeen directeur op 3 november 2022 heeft verzoekster – die daarna onafgebroken in ziekteverlof is gebleven – nooit gemeld of op een andere manier te kennen gegeven dat zij weigerde om de taken inzake het bijzonder comité voor de sociale dienst uit te voeren. Verzoekster is voorts van mening dat het gesprek van 16 augustus 2022 helemaal niet is uitgemond in de vaststelling dat zij weigert om de taken inzake het bijzonder comité uit te voeren, maar wel in een vraag van verzoekster om rekening te houden met haar noden, in het bijzonder om een vervanger aan te stellen voor de vertrekkende hoofdmaatschappelijk werker. Daarnaast heeft verzoekster ook uitdrukkelijk te kennen gegeven dat zij niet akkoord ging met het voornemen van de algemeen directeur om haar in de toekomst ook het secretariaatswerk van het bijzonder comité te laten doen. Voor het overige heeft verzoekster nooit tegengesproken dat de algemeen directeur de mogelijkheid had om de bevoegdheid met betrekking tot het bijzonder comité voor de sociale dienst aan haar te delegeren, zodat de beschouwingen van de tweede verwerende partij hieromtrent IX-10.422-17/49 niet relevant zijn. Wel relevant, zo benadrukt verzoekster, is dat de delegatie er pas op 3 november 2022 is gekomen en dat zij noch op dat moment, noch op enig moment nadien, te kennen heeft gegeven dat zij weigerde om er uitvoering aan te geven. In de mate dat de tweede verwerende partij nog verwijst naar de procedure voor de voorzitter van de arbeidsrechtbank van Leuven, preciseert verzoekster dat zij daar niet heeft geprotesteerd tegen de delegatie van de bevoegdheid met betrekking tot het bijzonder comité, maar wel tegen het feit dat zij ook zou moeten instaan voor het secretariaatswerk. 17.3. Aangaande het derde tuchtfeit ontkent verzoekster dat zij kennis heeft genomen van vertrouwelijke informatie, zoals de correspondentie tussen de tweede verwerende partij en haar advocaat. Zij betoogt dat dit niet uit het tuchtdossier blijkt en dat de tuchtonderzoeker in zijn verslag niets in die zin vermeldt. Wel schrijft de tuchtonderzoeker dat verzoekster toegang had tot de adviezen van de advocaat van het OCMW, maar hij heeft niet nader onderzocht of die adviezen ook daadwerkelijk werden geraadpleegd. Uit het overzicht dat de tweede verwerende partij heeft gemaakt aan de hand van de gegevens die door de softwareleverancier zijn verstrekt, kan dit volgens verzoekster evenmin worden afgeleid en zij merkt op dat de tweede verwerende partij zelfs niet uitlegt over welke documenten in het overzicht het gaat. Wat het overzicht van de softwareleverancier betreft, stelt verzoekster dat het niet is omdat er tot op de seconde wordt aangegeven wanneer de informatie is opgevraagd en welke documenten zijn aangeklikt, dat het overzicht ook controleerbaar is. Volgens verzoekster hebben de verwerende partijen de door haar aangevoerde kritiek hieromtrent eenvoudigweg genegeerd en volstaat het niet dat de softwareleverancier, die onafhankelijk zou zijn van het OCMW, bevestigt dat het overzicht van hem afkomstig is en dat de agendapunten worden vermeld die via de account van verzoekster zijn geopend. Voor verzoekster vormt dit geen objectief bewijs voor de tuchtfeiten. Voorts verduidelijkt verzoekster nog dat zij heeft erkend dat zij via digitale weg documenten heeft geraadpleegd op het intranet van het OCMW en dat “in die zin […] het tuchtfeit deels [is] bewezen”, maar zij “betwist dat dit feit een tuchtvergrijp uitmaakt”. Verzoekster merkt ook op dat aan het feit dat zij voor het eerst voor de beroepscommissie heeft aangevoerd dat zij de IX-10.422-18/49 bepalingen van bijlage 6 van het arbeidsreglement en de bepalingen van de deontologische code en artikel 188 van het decreet lokaal bestuur niet heeft geschonden, geen gevolg kan worden verbonden. Tot slot merkt zij op dat de tweede verwerende partij niet uitlegt waarom verzoekster als leidinggevende tijdens haar ziekteverlof geen gebruik had mogen maken van haar toegang om agendapunten en documenten te raadplegen en dat geen enkele reglementaire bepaling dit verbiedt. 18.1. In haar laatste memorie formuleert verzoekster met betrekking tot het eerste tuchtfeit nog de volgende opmerkingen over wat uit de tuchtverhoren mag worden afgeleid: - Het diensthoofd Burgerzaken heeft verklaard dat zij verzoekster niet is tegengekomen of heeft gesproken bij haar terugkeer op het werk in de periode van 16 augustus 2022 tot 2 september 2022 en de periode van 3 november 2022 tot 14 november 2022. Blijkbaar was er in die periode geen contact nodig aangezien het diensthoofd ook heeft verklaard dat zij zelf geen contact heeft gezocht en zij bovendien maar één e-mail naar verzoekster heeft verstuurd. Dat zij op die e-mail geen antwoord kreeg is niet relevant aangezien deze geen reactie behoefde en enkel ter informatie was doorgestuurd. - De coördinator sport/toerisme heeft inderdaad verklaard dat hij tijdens de eerste periode van werkhervatting verzoekster geen enkele keer heeft gezien, maar hij geeft daar zelf ook enkele mogelijke verklaringen voor. Bovendien had verzoekster ook de toelating om te telewerken, wat de kans om haar op het werk te treffen kleiner maakte. - De financieel directeur heeft verklaard dat verzoekster uitgenodigd is voor het managementteam, maar niet kwam opdagen. Tijdens de eerste periode van werkhervatting is er echter geen managementteam geweest omwille van de afwezigheid van de algemeen directeur en tijdens de tweede periode van werkhervatting was verzoekster gewettigd afwezig in het kader van zorgverlof. Voorts is de vage bewering dat een aantal vergaderingen niet heeft plaatsgevonden omdat verzoekster verlof nam of aan het telewerken was onjuist en niet onderzocht, laat staan bewezen. IX-10.422-19/49 - Dat verzoekster niet is ingegaan op het voorstel van de algemeen directeur om haar een rondleiding te geven en voor te stellen aan de nieuwe collega’s, houdt verband met het feit dat zij op de dag van haar werkhervatting al op eigen initiatief op informele wijze kennis heeft gemaakt met de aanwezige nieuwe medewerkers. In de voormiddag was verzoekster ook al voorgesteld aan het waarnemend afdelingshoofd Mens – de hoofdmaatschappelijk werker – waarmee verzoekster in de namiddag dan weer een gesprek had teneinde een snelle overdracht van de taken mogelijk te maken. - Dat verzoekster geen enkel contact heeft opgenomen met de diensten waarover zij de leiding had, blijkt nergens uit. - Dat vele verklaringen aangeven niet te weten welk werk verzoekster tijdens haar aanwezigheid heeft verricht, bewijst op zich niet dat verzoekster haar functie niet heeft uitgevoerd. - Er wordt niet aangetoond dat verzoekster geen enkel initiatief heeft genomen om te overleggen of zaken te bespreken. Uit het dossier blijkt daarentegen dat verzoekster meteen na de werkhervatting diverse gesprekken heeft gehad met de hoofdmaatschappelijk werker in het kader van de overdracht van de taken en dat eveneens de nieuwe aspecten van de functie als afdelingshoofd Mens werden besproken. Voorts heeft verzoekster actief deelgenomen aan het overleg van de schepen en de bibliotheekmedewerkers. Zij heeft ook veel tijd geïnvesteerd in het verwerken van de berg aan informatie in haar mailbox. De belangrijkste vragen over de e-mails zijn rechtstreeks besproken met de hoofdmaatschappelijk werker of betroffen punten die zijn opgenomen in het overdrachtsdocument dat over haar volledige functie en alle diensten ging. Verzoekster noemt het ook “frappant” dat geen getuigenverklaring werd afgenomen van de hoofdmaatschappelijk werker. Zij vindt het ook niet zorgvuldig, noch redelijk dat er alleen of minstens voornamelijk rekening wordt gehouden met de getuigenverklaringen van derden en niet met de draagwijdte van het overdrachtsdocument en de hieraan voorafgaande besprekingen. Verzoekster benadrukt voorts dat de beroepscommissie heeft geoordeeld dat zij “slechts 1 mail kan bijbrengen die moet aantonen dat zij gedurende 14 werkdagen haar taken heeft uitgevoerd” en dat er “toch aangenomen IX-10.422-20/49 (moet) worden dat het effectief uitvoeren van (de) functie van afdelingshoofd Mens in meer had moeten resulteren dan 1 e-mail die [verzoekster] kan bijbrengen”. Daaruit kon de beroepscommissie, zo meent verzoekster, redelijkerwijze niet afleiden dat de tuchtoverheid terecht heeft geoordeeld dat het bewezen is dat zij heeft geweigerd om haar functie uit te oefenen, ook niet als zij in aanmerking neemt dat verzoekster zelf geen enkel overleg heeft georganiseerd, de personeelsleden die onder haar leiding vielen haar gedurende veertien werkdagen niet hebben gehoord of gezien en verzoekster de taken die haar werden toegewezen niet heeft vervuld. Dat zij zelf geen enkel overleg heeft georganiseerd blijkt niet uit het dossier en wordt door verzoekster tegengesproken. Voorts hebben verschillende personeelsleden verklaard dat zij verzoekster wel op het werk hebben gezien, daarbij komt dat zij meestal met de deur dicht werkt, dat haar werkhervatting in volle zomerperiode plaatsvond en dat uit dergelijke algemene verklaringen niet kan worden afgeleid dat zij heeft geweigerd om haar functie als afdelingshoofd Mens op te nemen. Dat verzoekster de haar toegewezen taken niet heeft vervuld blijkt tot slot nergens uit het dossier. 18.2. Inzake het tweede tuchtfeit weerspreekt verzoekster dat zij meermaals heeft geweigerd de taken betreffende het bijzonder comité voor de sociale dienst uit te voeren. Zij stelt dat dit niet uit het dossier blijkt en indien dit toch het geval zou zijn kan zij hoogstens worden gestraft voor het te kennen geven dat zij die taak niet wou doen en niet voor het weigeren om die taak te doen. Een dergelijke weigering heeft zich immers niet voorgedaan. Wat zich wél heeft voorgedaan, is dat verzoekster tijdens het gesprek op 16 augustus 2022 duidelijk heeft gemaakt dat de taken betreffende het bijzonder comité overeenkomstig artikel 277, § 3, van het decreet lokaal bestuur toebehoren aan de algemeen directeur en dat niemand anders die taken kan waarnemen, tenzij bij delegatie door de algemeen directeur. Welnu, de algemeen directeur had die taken aan de hoofdmaatschappelijk werker gedelegeerd, wat een functie van niveau B is. Omdat de hoofdmaatschappelijk werker haar opzeg had gegeven, stond verzoekster erop dat er overeenkomstig het goedgekeurde organogram een nieuwe hoofdmaatschappelijk werker zou worden aangesteld die dan de taken inzake het bijzonder comité zou kunnen overnemen. De algemeen directeur heeft dit IX-10.422-21/49 geweigerd en uiteindelijk op 3 november 2022 de voormelde taken aan verzoekster gedelegeerd. Zelfs als deze delegatie rechtsgeldig is – wat verzoekster betwijfelt – is het nog alleszins zo dat verzoekster pas vanaf 3 november 2022 kon en mocht deelnemen aan de vergaderingen van het bijzonder comité. Aangezien zij onmiddellijk daarna voltijds in ziekteverlof is moeten gaan omdat zij geen toestemming kreeg om halftijds te werken, is zij nooit aanwezig kunnen zijn op die vergaderingen. 18.3. Aangaande het derde tuchtfeit betwist verzoekster dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan het raadplegen van gegevens waarin een personeelslid tegenstrijdige belangen heeft. Zij is van oordeel dat het dossier niet het bewijs van het tegendeel bevat. Zij stelt nooit te hebben erkend dat zij vertrouwelijke documenten heeft ingekeken die op haar eigen dossier betrekking hadden en derhalve ook nooit te hebben beweerd dat die inzage kaderde in de voorbereiding van haar terugkeer naar de werkvloer. Beoordeling a. De ingeroepen beginselen 19. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Het valt aan de Raad van State binnen het raam van zijn wettigheidstoezicht niet toe om zelf een beoordeling te maken van het bewezen zijn van de tenlastegelegde feiten. De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de tuchtoverheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. IX-10.422-22/49 De tuchtoverheid die zich over het opleggen van een tuchtstraf wegens een bepaald feit moet uitspreken, vermag daarbij niet alleen te steunen op bekentenissen of vaststaande bewijzen, maar ook op getuigenissen, vermoedens, en zo meer. Indien, zoals in dit geval, een tuchtregeling geen bijzondere bewijswaardering voorschrijft, beoordeelt de tuchtoverheid op discretionaire wijze de bewijswaarde van de gegevens uit het tuchtdossier om tot een bepaalde overtuiging te komen. Om de onwettigheid van de motieven van de beslissing van de tuchtoverheid aan te tonen, mag een verzoekende partij niet volstaan met het louter ontkennen of in vraag stellen van de feitelijke elementen waarop de beoordeling door de tuchtoverheid berust. Het is zaak van de verzoekende partij om aanwijzingen te verschaffen die het vermoeden wettigen of aantonen dat de door het bestuur in aanmerking genomen gegevens niet juist zijn. 20. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. De overheid is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat zij met kennis van zaken kan beslissen. 21. Van een schending van het redelijkheidsbeginsel is slechts sprake wanneer het bestuur een beslissing neemt die dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon, dat het niet denkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende administratieve overheid in dezelfde omstandigheden tot deze besluitvorming zou komen. b. Vooraf 22.1. In haar inleidend verzoekschrift betoogt verzoekster in dit middel voor elk van de drie tuchtfeiten dat zij ze voor de tuchtoverheid heeft IX-10.422-23/49 betwist, maar dat de tuchtoverheid ze “desalniettemin toch bewezen [heeft] verklaard”. Vervolgens citeert verzoekster in extenso haar beroepschrift voor de beroepscommissie, waarna zij punctueel kritiek formuleert op de beslissing die uitgaat van de beroepscommissie – en enkel op die beslissing. Het middel moet bijgevolg worden geacht slechts gericht te zijn tegen de beslissing van de beroepscommissie. 22.2. Het administratief beroep dat verzoekster tegen de beslissing van het vast bureau instelde, heeft alleen maar een vernietigingstoezicht geactiveerd – geen hervormingsberoep, waardoor de beroepscommissie de beslissingsmacht over de tuchtzaak zelf zou hebben verworven en geroepen zou zijn de beslissing van de tuchtoverheid over te doen. Verzoekster kan dan niet – ook niet bij wijze van repliek op de memories van antwoord van de verwerende partijen – in haar memorie van wederantwoord het geweer van schouder veranderen en op dat ogenblik ook de tuchtbeslissing van de tuchtoverheid in het vizier nemen. Voor zover zij in het laatst vermelde procedurestuk kritiek levert op de tuchtbeslissing, is dit laattijdig en onontvankelijk. 22.3. Wanneer de beroepscommissie het besluit van de tuchtoverheid bijvalt en niet vernietigt, volstaat het in beginsel dat zij verantwoordt waarom zij dat doet, zonder daarbij ertoe gehouden te zijn in haar beslissing formeel aandacht te schenken aan en nader in te gaan op de argumentatie die verzoekster voor de tuchtoverheid deed gelden. Weliswaar kan het in bepaalde gevallen, afhankelijk van (het soortelijk gewicht van) de bezwaren die in het administratief beroep werden aangevoerd, mogelijk anders zijn. Wie meent in zijn administratief beroep dergelijke ernstige bezwaren te hebben aangevoerd die, volgens hem, vanwege de IX-10.422-24/49 beroepscommissie onvoldoende aandacht en beantwoording hebben gekregen, kan zich daarover bij de Raad van State beklagen, maar dient in voorkomend geval die bezwaren met de vereiste precisie aan te geven. Dat moet, in principe, ook gebeuren in het verzoekschrift en niet in latere procedurestukken. c. Het tuchtfeit van de weigering om de functie van afdelingshoofd Mens op te nemen 23.1. Voor zover verzoekster – in het algemeen – argumenteert dat van de beroepscommissie “mocht […] verwacht worden dat zij [de] kritiek [van verzoekster] grondig zou onderzoeken en beoordelen” en dat “niet [blijkt] dat zij dat effectief gedaan heeft”, moet haar worden tegengeworpen dat zij daarmee niet voldoet aan de hiervóór in herinnering gebrachte stelplicht. Verzoekster mag niet van de Raad van State verwachten dat hij aan de hand van een in extenso geciteerde nota zélf nagaat welke argumenten verzoekster heeft aangevoerd voor de beroepscommissie en vervolgens zélf aan de hand van de bestreden beslissing van die commissie afvinkt welke argumenten wel of niet werden beantwoord en besluit of dat niet-beantwoorden in de concrete omstandigheden van de zaak verzoekster kan grieven. Het staat daarentegen aan verzoekster om in haar middel duidelijk aan te geven welke elementen volgens haar niet zijn beantwoord of onderzocht en waarom deze nochtans wel een antwoord of onderzoek verdienden. 23.2. Ook in de mate dat verzoekster – opnieuw in het algemeen – aanvoert dat de beroepscommissie “[o]p basis van de stukken die zich in dat tuchtdossier bevinden, en van de door [haar] bijgebrachte gegevens en stukken […] redelijkerwijze niet [kon] besluiten dat ‘de tuchtoverheid, door te oordelen dat de feiten van afwezigheid (sic) als tuchtfeiten bewezen zijn’ niet ‘onredelijk of anderszins onwettig’ gehandeld heeft”, mist het middelonderdeel iedere precisie. Welke stukken – héél concreet – het oordeel van de beroepscommissie aan het wankelen zouden brengen, verduidelijkt verzoekster niet. De Raad van State vermag evenwel niet het middelonderdeel in de plaats van verzoekster te redigeren IX-10.422-25/49 en er een eigen invulling aan te geven door zelf op zoek te gaan naar “stukken” of “gegevens” die de beweringen van verzoekster zouden moeten steunen. 23.3. Bijgevolg onderzoekt de Raad het middelonderdeel hierna slechts in de mate dat verzoekster vervolgens argumenteert dat (1) de overweging van de beroepscommissie dat verzoekster “slechts 1 e-mail kan bijbrengen die moet aantonen dat zij gedurende 14 werkdagen haar taken heeft uitgevoerd”, “helemaal niet [blijkt] uit het tuchtdossier”, zodat zij niet kon besluiten dat “toch aangenomen (moet) worden dat het effectief uitvoeren van haar functie als afdelingshoofd Mens in meer had moeten resulteren dan 1 e-mail die zij kan bijbrengen” en (2) de beweringen dat verzoekster “voor het overige enkel aanwezig geweest is op overleg met anderen waarvoor zij was uitgenodigd” en “op geen enkel moment zelf een overleg georganiseerd heeft”, “absoluut geen steun [vinden] in het tuchtdossier”. 24.1. Wat het hier besproken tuchtfeit betreft, dient vastgesteld dat de eerste bestreden beslissing decisief steunt op de “getuigenissen uit het tuchtdossier”. Die getuigenissen lezen als volgt: - de burgemeester heeft onder meer verklaard: “[Verzoekster] is uiteindelijk ook niet ingegaan op het voorstel van de algemeen directeur om een rondleiding te doen bij de nieuwe mensen. […] We hadden na het eerste gesprek niet veel contact meer, behalve eens een ‘goeiedag’ in de gang. Gezamenlijke overleggen waren er niet, [verzoekster] heeft hier zelf ook niet naar gevraagd.” - in de verklaring van de algemeen directeur kan worden gelezen: “Ik heb voorgesteld om een rondleiding te doen bij de nieuwe personeelsleden, maar daar wilde ze niet op ingaan. Ze wilde enkel overleggen met de hoofdmaatschappelijk werker en dan zou ze de mensen van haar afdeling wel zelf bijeen roepen. Ze heeft dit niet gedaan. […] IX-10.422-26/49 Ik heb geen weet dat ze intern mails verstuurd heeft over dossiers. Ze heeft ook geen interne overleggen ingepland, behalve met de hoofdmaatschappelijk werker i.k.v. haar nakende uitdiensttreding en één overleg met de schepen van cultuur, in het bijzijn van de hoofdmaatschappelijk werker en twee bibliotheekmedewerkers. […] Bij vrije tijd, burgerzaken en de maatschappelijk werkers hadden ze [verzoekster] nog niet gezien. […] Ze heeft zich waarschijnlijk beperkt tot het lezen van haar mails. Behalve met de mensen die ik genoemd heb, heeft ze met niemand van haar medewerkers gesproken, hoewel dit tijdens het startgesprek afgesproken was. […] Ik heb geen idee wat ze in de 10 dagen dat ze gewerkt heeft, gedaan heeft. Ze heeft hierover niets teruggekoppeld naar mij.” - de financieel directeur getuigt: “Ik heb haar niet opgezocht en ook niet gesproken. […] Er stonden een aantal vergaderingen gepland samen met haar, maar die zijn niet doorgegaan. Ofwel nam ze verlof, ofwel was ze aan het telewerken. Op het managementteam werd ze uitgenodigd, maar kwam ze niet opdagen.” - een beleidsmedewerker stelt: “We weten eigenlijk ook niet wat ze in die periode gedaan heeft. Ze heeft geen opdrachten uitgevoerd die via [de algemeen directeur] of mij kwamen of taken die kaderden in haar functie van afdelingshoofd. […] Het feit dat [verzoekster] de functie van afdelingshoofd niet wilde opnemen en ook de rol van secretaris bijzonder comité niet, doet vermoeden dat zij niet echt nog een actieve rol wil spelen binnen het lokaal bestuur. Ook het feit dat zij niet inging op het voorstel om een rondgang te doen bij de verschillende diensten of met hen in overleg ging past binnen die logica.” - in de verklaring van het diensthoofd burgerzaken, waarvan verzoekster afdelingshoofd was, is te lezen: “We zijn mekaar niet tegengekomen, we hebben mekaar niet gesproken. Ik vond niet dat het aan mij was om contact te zoeken, ik heb trouwens ook de kans niet gekregen. Van haar kant is geen vraag gekomen om eens over de werking van de dienst te overleggen. Ik heb haar één mail gestuurd in het kader van een bepaald dossier, maar geen reactie gekregen. […] IX-10.422-27/49 [Verzoekster] heeft de functie van afdelingshoofd echter nooit opgenomen. Ze is ook niet ingegaan op de vraag van de algemeen directeur om bij haar nieuwe diensten langs te gaan.” - een maatschappelijk werker verklaart: “We hadden geen contact, […]. [Verzoekster] heeft gevraagd om een overleg te plannen zodat we de agenda eens konden overlopen, maar ze heeft geen uitnodiging gestuurd.” - de coördinator sport en toerisme – ook die dienst behoorde tot verzoeksters bevoegdheid – stelt: “Ik heb gehoord en gelezen dat ze terug was. Ik heb haar geen enkele keer gezien.” 24.2. Uit deze verklaringen vermocht de tuchtoverheid in redelijkheid af te leiden dat verzoekster “meermaals weigerde om overleg te plegen, alsook om opgedragen taken in het kader van haar functie uit te voeren”, wat tot de tenlastelegging van het weigeren om de functie van afdelingshoofd Mens uit te oefenen heeft geleid. Daarbij bedenkt de Raad van State dat dit ‘weigeren’ niet een mededeling ervan door het personeelslid veronderstelt, maar dat zulks ook kan blijken uit de concrete handelwijze van dat personeelslid – of precies het gebrek daaraan. Uit de verklaringen komt naar voor dat verzoekster – in strijd met de gemaakte afspraken – geen contact heeft gezocht met de diensten en de mensen waarover zij de leiding had, een rondleiding heeft geweigerd, geen initiatief heeft genomen om te overleggen of dossiers te bespreken, niet heeft deelgenomen aan geplande vergaderingen, geen opdrachten heeft uitgevoerd of taken die kaderen in haar functie van afdelingshoofd en dat het voor verschillende getuigen volstrekt niet duidelijk is wat verzoekster dan wél heeft gedaan tijdens haar werkhervatting. 24.3. Daaraan doet geen afbreuk de vaststelling, die uit het tuchtdossier blijkt, dat verzoekster wél overleg heeft gepleegd met de hoofdmaatschappelijk werker en één vergadering bijwoonde met een schepen, de hoofdmaatschappelijk werker en twee bibliotheekmedewerkers. Immers, daarnaast – aldus de aangehaalde verklaringen – bleven contactmomenten met andere IX-10.422-28/49 diensten waarover verzoekster het gezag had, uit en woonde ze geplande vergaderingen niet bij. In die zin strijdt het niet met het tuchtdossier wanneer de beroepscommissie oordeelt dat verzoekster, om van het tegendeel te overtuigen, “slechts 1 e-mail kan bijbrengen die moet aantonen dat zij gedurende 14 werkdagen haar taken heeft uitgevoerd”. De overige elementen waaraan verzoekster refereert, maakten reeds deel uit van het tuchtdossier en over die elementen vermochten de tuchtoverheid en de beroepscommissie te oordelen, zoals gezien, dat ze niet ertoe noopten de conclusie dat verzoekster “meermaals weigerde om overleg te plegen, alsook om opgedragen taken in het kader van haar functie uit te voeren” bij te stellen. 25. De beroepscommissie overweegt nog dat verzoekster “[v]oor het overige […] enkel aanwezig [is] geweest op overleg met anderen waarvoor zij was uitgenodigd. Zij heeft op geen enkel moment zelf een overleg georganiseerd”. Daarmee verwijst de beroepscommissie opnieuw naar het overleg met de hoofdmaatschappelijk werker dat uit de door verzoekster bijgebrachte e-mail blijkt. Mogelijk verliest de beroepscommissie daarmee het ene overleg met de schepen, de hoofdmaatschappelijk werker en twee bibliotheekmedewerkers uit het oog. Geplaatst tegenover het ontbreken van ieder ander overleg met de diensten die tot haar bevoegdheid behoorden, kan bezwaarlijk worden voorgehouden dat deze overweging van de commissie de conclusie over dit tuchtfeit – verzoekster heeft aan de functie van afdelingshoofd Mens niet effectief en inhoudelijk invulling gegeven – onderuit haalt. 26. Voorts blijkt verzoekster geen aanstoot te nemen aan – en dus niet te betwisten – de overwegingen van de beroepscommissie dat “[u]it de verhoren […] naar voor [komt] dat de personeelsleden die onder de leiding van [verzoekster] vallen haar gedurende deze 14 werkdagen niet hebben gehoord of IX-10.422-29/49 gezien” en dat “[d]aarnaast […] taken die haar werden toegewezen niet vervuld [werden]”. 27. In haar laatste memorie formuleert verzoekster nog een aantal bedenkingen bij de voormelde getuigenverklaringen. Verzoekster had deze bedenkingen echter reeds in het verzoekschrift kunnen aanvoeren. Voor het eerst aangevoerd in de laatste memorie is deze argumentatie laattijdig en bijgevolg onontvankelijk. 28. Uit wat voorafgaat, volgt dat verzoekster niet ervan overtuigt dat de beroepscommissie, door te oordelen dat de tuchtoverheid niet onredelijk of onwettig heeft gehandeld door te beslissen dat het eerste tuchtfeit bewezen is, in strijd met de door haar aangevoerde beginselen heeft gehandeld. d. Het tuchtfeit van de weigering om de taken betreffende het bijzonder comité voor de sociale dienst uit te voeren 29. Ook wat het tweede tuchtfeit betreft, gaat verzoekster ten onrechte ervan uit dat haar beroep bij de beroepscommissie devolutieve werking heeft en dat zij bijgevolg een eigen onderzoek naar het bestaan en het bewezen karakter van de tuchtfeiten dient te voeren. Zoals hiervóór sub 22.2 reeds is uiteengezet, is dat beroep echter een louter vernietigingstoezicht. Bijgevolg moet van verzoekster worden verwacht dat zij concreet uiteenzet waarom, volgens haar, de beroepscommissie haar vernietigingsbevoegdheid ten onrechte niet heeft gebruikt. Alleen in die mate wordt het middelonderdeel hierna onderzocht. 30. Verzoekster argumenteert in dat verband alleen dat “hoegenaamd niet uit de stukken van het tuchtdossier [blijkt] dat [zij] ‘op verschillende momenten gezegd (heeft) dat ze weigerde de taken in het kader van het Bijzonder Comité voor de Sociale Dienst uit te voeren’”. IX-10.422-30/49 31. Uit het tuchtdossier blijkt wat volgt. In het verslag van het gesprek van 16 augustus 2022 wordt vermeld: “De algemeen directeur heeft vervolgens wel duidelijk gemaakt dat zij de opvolging, het bijwonen en afwerken van het Bijzonder Comité voor de Sociale Dienst aan [verzoekster] wil delegeren, zodra de hoofdmaatschappelijk werker […] uit dienst treedt […]. Zij heeft hierop geantwoord dat zij absoluut niet van plan is om het BCSD op te volgen.” Tijdens de hoorzitting voor de tuchtoverheid op 27 april 2023 heeft verzoekster dan bevestigd dat zij de taken met betrekking tot het bijzonder comité voor de sociale dienst niet op zich zou nemen. In het proces-verbaal van die hoorzitting wordt vermeld: “[De algemeen directeur] deelde mij mee dat ik in de toekomst ook het bijzonder comité zou moeten doen en zij daarvoor een delegatiebesluit zou opmaken. […] Ik heb inderdaad gezegd dat ik dat niet doe, want dat is het werk van de hoofdmaatschappelijk werker.” Verzoeksters weigering om de taken inzake het bijzonder comité voor de sociale dienst uit te voeren, vindt ook bevestiging in de getuigenverhoren. Zo heeft de algemeen directeur verklaard: “Van zodra ik waarnemend algemeen directeur werd, wilde ze die rol niet meer opnemen […]. Gelet op het ontslag van de hoofdmaatschappelijk werker, heb ik dit tijdens het startgesprek in augustus opnieuw aangehaald […]. [Verzoekster] weigerde dit, want dat was volgens haar geen werk voor een afdelingshoofd. Deze opdracht aan [verzoekster] geven, paste nochtans binnen diezelfde filosofie van haar zoveel mogelijk taken te geven die ze vroeger ook deed. Ze vervulde die rol van secretaris BCSD ook als OCMW- secretaris.” Voorts heeft de beleidsmedewerker hieromtrent gesteld: “Voor mij was het ook bijzonder vreemd dat zij het bijzonder comité niet wilde opvolgen, ze vond dit zelf het werk van de hoofdmaatschappelijk werker, terwijl ze dergelijke dossiers als OCMW-secretaris wel jarenlang IX-10.422-31/49 zelf had opgevolgd in de OCMW-raad. […] Het feit dat [verzoekster] de functie van afdelingshoofd niet wilde opnemen en ook de rol van secretaris bijzonder comité niet, doet vermoeden dat zij niet echt nog een actieve rol wil spelen binnen het lokaal bestuur.” 32. Waarom uit die gegevens niet mocht worden besloten dat verzoekster “op verschillende momenten [heeft] gezegd dat ze weigerde de taken in het kader van het Bijzonder Comité voor de Sociale Dienst uit te voeren”, verduidelijkt verzoekster op geen enkel moment precies. Evenmin onjuist is dan het oordeel van de beroepscommissie dat zulks “een bekentenis [vormt]” en dat “[h]et feit dat [verzoekster] deze taken in de praktijk nooit effectief […] heeft uitgevoerd, […] geen afbreuk [doet] aan haar beslissing om deze taken te weigeren hetgeen werkweigering uitmaakt”. 33. Vergeefs tracht verzoekster voor te houden dat zolang de taken niet aan haar waren gedelegeerd en zij deze taken in de praktijk niet heeft kunnen opnemen – tijdens haar werkhervatting was er geen samenkomst van het comité – zij niet kon weigeren om ze uit te oefenen en zij nooit een concrete taak heeft geweigerd. Zoals gezien, heeft verzoekster meermaals duidelijk te kennen gegeven dat zij de functie niet zou uitoefenen. Evenmin is het relevant of deze taken moeten worden uitgeoefend door een hoofdmaatschappelijk werker en niet door haar aangezien zij is aangesteld in een functie van niveau A. Die argumentatie doet immers geen afbreuk aan het feit dat zij heeft geweigerd de taken betreffende het bijzonder comité voor de sociale dienst uit te voeren en zij ontkent niet voorheen deze taken als OCMW-secretaris te hebben uitgeoefend. 34. Verzoekster toont andermaal niet aan dat de tuchtoverheid dit tuchtfeit niet voor bewezen mocht houden en dat de beroepscommissie, door de tuchtbeslissing te bevestigen, de door haar aangevoerde beginselen heeft geschonden. IX-10.422-32/49 e. Het tuchtfeit ‘consultatie van besluitvorming omtrent haar eigen persoon gedurende de arbeidsongeschiktheid en disponibiliteit wegens ziekte van [verzoekster]’ 35. Het derde tuchtfeit luidt: “[Verzoekster] heeft tijdens haar ziekteverlof via digitale weg inzage genomen in dossiers waar zij in principe geen inzage (meer) mocht in hebben. Het zich toegang verschaffen tot dossiers gebeurde meermaals. De geraadpleegde dossiers hadden onder meer betrekking op dossiers die haar aanbelangden, in het bijzonder naar aanleiding van een aantal gerechtelijke procedures waarin ze zelf eisende partij was ten aanzien van het OCMW.” 36. Na de weergave van haar beroepschrift voor de beroepscommissie blijft verzoeksters kritiek in haar verzoekschrift ertoe beperkt dat (1) “de Beroepscommissie op basis van [stuk nr. 155 van het administratief dossier] redelijkerwijze niet kon besluiten dat [zij] ‘gegevens en/of dossiers’ geraadpleegd heeft” en (2) de commissie “ook niet [kon] oordelen […] dat [verzoekster] door het raadplegen van dergelijke gegevens en/of dossiers een inbreuk begaan heeft op respectievelijk artikel 5.1 en artikel 5.4.1. van bijlage 6 van het arbeidsreglement en op artikel 188 § 1 DLB”. 37. Wat het tweede element van haar kritiek betreft, laat verzoekster niet verstaan waarom niet kon worden besloten tot een inbreuk op de door haar genoemde bepalingen, los van haar grief dat de beroepscommissie “redelijkerwijze niet kon besluiten dat [zij] ‘gegevens en/of dossiers’ geraadpleegd heeft”. Mocht verzoekster met dat tweede element bedoelen een op zichzelf staande kritiek te formuleren, moet deze, bij gebrek aan nadere toelichting, als onontvankelijk worden verworpen. 38. Wél begrijpt de Raad van State uit het verzoekschrift dat verzoekster meent dat het feit niet voor bewezen mocht worden gehouden. IX-10.422-33/49 39. Voor haar oordeel over dit tuchtfeit, steunt de tuchtoverheid in belangrijke mate op een overzicht van de documenten waarvan verzoekster tijdens haar ziekteverlof inzage heeft genomen, dat door de leverancier van de notuleringssoftware is verstrekt. 40. De beroepscommissie oordeelt in dat verband wat volgt: “22. In haar nota stelt [verzoekster] dat dit tuchtfeit ‘slechts voor een deel’ bewezen is, nl. voor zover zij bij het tuchtverhoor van 27 april 2023 zelf verklaarde dat ze via links in zowel de mails die ze vanuit het bestuur ontving als op het intranet toegang had tot bepaalde documenten, en dat ze zich naar aanleiding van haar heropstart in augustus 2022 over heel wat zaken geïnformeerd heeft. Verder stelt zij ‘wat betreft mijn eigen punten is dat mijn persoonlijk dossier’. [Verzoekster] erkent hiermee onrechtstreeks dat zij tijdens haar periode van afwezigheid weldegelijk toegang heeft genomen tot haar eigen dossier. In haar nota stelt [verzoekster] ook het overzicht van softwareleverancier [R] in twijfel, stellende dat: • Niet kan worden nagegaan of het effectief door [R] is opgesteld vermits het een anoniem document betreft waarvan de auteur nergens staat vermeld; • Er geen verslag bij het overzicht zit en de omstandigheden van het onderzoek en de wijze waarop het werd gevoerd niet kan worden nagegaan; • Het een eenzijdig opgesteld document betreft, waarbij [verzoekster] nooit betrokken werd. OCMW Bekkevoort brengt onder stuk 155 echter de bevestiging van softwareleverancier [R] voor dat het document daadwerkelijk door haar werd aangeleverd en dat de lijst de agendapunten bevat die via het account van [verzoekster] werden geopend: ‘Wij kunnen bevestigen dat bijgevoegde Excel lijst door ons werd aangeleverd. Hierin staan de agendapunten die via de account van [verzoekster] werden geopend in Meeting.mobile. Deze lijst bevat enkel de punten die via deze account werden geopend en bevat dus geen punten die door accounts van andere personeelsleden of mandatarissen werden geopend.’ Het door softwareleverancier [R] verstrekt document is weldegelijk objectief en voldoende duidelijk. Uit het overzicht blijkt duidelijk dat [verzoekster] tijdens haar ziekteverlof via digitale weg inzage heeft genomen in dossiers die haar aanbelangden en die betrekking hadden op procedures waarin zij met OCMW Bekkevoort tegenstrijdige belangen had.” 41.1. Voor zover verzoekster betoogt dat zij voor de beroepscommissie heeft aangekaart dat het betrokken document “anoniem” is, met IX-10.422-34/49 andere woorden dat de auteur ervan haar onbekend is, kan zij bezwaarlijk volhouden dat uit de tweede bestreden beslissing niet zou blijken waarom die opmerking niet pertinent is. De beslissing van de beroepscommissie bevat een verklaring van de softwareleverancier waarin deze bevestigt (1) het betrokken stuk te hebben aangeleverd, (2) dat het stuk énkel de agendapunten bevat die via verzoeksters account in ‘meeting.mobile’ werden geopend en (3) dat deze lijst geen punten bevat die door accounts van andere personeelsleden of mandatarissen van de tweede verwerende partij werden geopend. 41.2. Deze verklaring laat alvast verstaan wie de auteur van het betrokken stuk is. Uit het stuk zélf blijkt voorts ook het “resultaat”, namelijk een overzicht van de documenten die – uitsluitend – met verzoeksters account werden geopend en de datum en het uur waarop dat is gebeurd. Zulks veronderstelt, evident, dat ze werden “aangeklikt”. Vermits is bevestigd dat ze alle werden geopend met verzoeksters account, mocht de beroepscommissie terecht oordelen dat zij ze heeft geraadpleegd. 41.3. Waarom de vragen “wie de in het document vermelde zoekopdrachten [heeft] gegeven”, “wanneer ze gegeven werden”, “wat juist die opdrachten waren” en “wat […] de eventuele commentaren daarbij waren” “pertinent” zijn in het licht van de “controleerbaarheid” van de inhoud van het betrokken document, verduidelijkt verzoekster niet en is voor de Raad van State evenmin spontaan zichtbaar. 41.4. Verzoekster verduidelijkt evenmin waarom het “eenzijdig” karakter van deze lijst een probleem zou zijn of het objectief karakter ervan zou aantasten. IX-10.422-35/49 41.5. Verzoekster overtuigt bijgevolg niet ervan dat de beroepscommissie haar argumenten niet zou hebben ontmoet en niet zou hebben aangegeven waarom zij ze “niet pertinent” acht. 42. Het verwijt dat de beroepscommissie en de tuchtoverheid niet hebben uitgelegd welke feitelijke vaststellingen zij op grond van het betrokken stuk hebben kunnen maken, treft evenmin doel. In de tuchtbeslissing is daarover te lezen wat volgt: “Arbeidsongeschiktheid impliceert dat het betrokken personeelslid zich onthoudt van het verrichten van prestaties, zodat het herstel niet gedwarsboomd wordt. Verder impliceren de verbodsbepalingen en deontologische plichten dat personeelsleden van openbare besturen geen inzage nemen in bestuursdocumenten omtrent hun eigen persoon en omtrent procedures die tussen het bestuur en het betrokken personeelslid hangende zijn, hetgeen [verzoekster] wél gedaan heeft. De tuchtonderzoeker stelt hieromtrent dat [verzoekster] door tijdens haar ziekteverlof inzage te nemen in dossiers van het lokaal bestuur de mobiele versie van het notuleringspakket heeft gebruikt voor andere doeleinden dan de uitvoering van opgelegde taken en dit ondanks dat hiervoor een uitdrukkelijk en absoluut verbod geldt. De tuchtonderzoeker achtte dit bewezen omwille [van] het overzicht dat werd aangeleverd door [R], waaruit bovendien bleek dat [verzoekster] meermaals toegang genomen heeft tot vertrouwelijke informatie, zelfs informatie over dossiers die haar aanbelangden, in het bijzonder naar aanleiding van een aantal gerechtelijke procedures ingesteld tegen het OCMW waarin ze zelf eisende partij was. Vertrouwelijke informatie mag in principe ook niet buiten de werkplaats bijgehouden worden dan gedurende de tijd dat dit strikt noodzakelijk is. Aangezien [verzoekster] tijdens het raadplegen ervan in ziekteverlof was, kon de tuchtonderzoeker niet anders dan vaststellen dat de vertrouwelijke informatie – minstens gedurende de raadpleging ervan – buiten de werkplaats bijgehouden werd. Het kon volgens de tuchtonderzoeker bijgevolg niet ernstig betwist worden dat er sprake is van ongeoorloofd gebruik in de zin van de bijlage bij het arbeidsreglement. De tuchtoverheid sluit zich aan bij deze analyse van de tuchtonderzoeker.” De beroepscommissie stelt in haar beslissing: “Uit het overzicht blijkt duidelijk dat [verzoekster] tijdens haar ziekteverlof via digitale weg inzage heeft genomen in dossiers die haar aanbelangden en die betrekking hadden op procedures waarin zij met OCMW Bekkevoort tegenstrijdige belangen had.” IX-10.422-36/49 Daarmee wist verzoekster welke conclusies de tuchtoverheid en de beroepscommissie uit het document hebben getrokken. 43.1. Verzoekster stelt over die conclusie van de beroepscommissie alvast dat dit “geenszins uit het document zelf [blijkt]”. 43.2. Uit het betrokken overzicht blijkt dat verzoekster tijdens haar ziekteverlof inzage heeft genomen in tal van documenten. Een deel van die documenten heeft betrekking op de algemene werking van het OCMW. Een ander deel betreft duidelijk documenten inzake gerechtelijke procedures waarvan wordt aangegeven dat ze verzoekster en het bestuur betreffen – “Verzoekschrift [initialen verzoekster]”, “Dossier [initialen verzoekster]”, “Memorie van wederantwoord dossier [initialen verzoekster]”, “Memorie van antwoord GD&A Advocaten”, “Conclusie GD&A” en “Conclusie Vlaams Gewest”. In haar getuigenverklaring stelt de algemeen directeur over dit tuchtfeit onder meer het volgende: “Toen vertelde ze ook dat ze ‘perfect gebrieft’ was. Dit bleek ook uit zaken die ze aanhaalde […]. Tijdens het gesprek in de namiddag zei ze echter dat ze die info verkregen had via de software. […] Het was een externe IT-consultant die ons liet weten dat [verzoekster] getoond had […] dat ze nog in de mobiele versie van het notuleringsprogramma kon. […] Op basis van de info hebben we doorgevraagd bij [de softwareleverancier] en uiteindelijk hebben zij ons een lijst bezorgd van de door [verzoekster] geraadpleegde dossiers vanaf 24 mei 2022. Raadplegingen van voor die datum zijn niet bijgehouden. Wel zien wij in de lijst van geraadpleegde dossiers dat zij dossiers tot in 2019 heeft ingekeken. Wat daarbij opmerkelijk is, is dat zij via de mobiele versie geen automatische meldingen meer kreeg als zittingen uitgestuurd werden. Ze is met andere woorden tijdens haar ziekteverlof actief en herhalend op zoek gegaan naar info in het notuleringsprogramma. Als we inzoomen op het tijdstip dat zij dossiers heeft ingekeken, zien we dat dit heel vaak buiten de reguliere werkuren was. De dossiers die ze ingekeken heeft, gaan heel vaak over haarzelf, o.a. over conclusies in de juridische procedures die ze aan het voeren is. Ze had bijvoorbeeld ook toegang tot de vertrouwelijke communicatie met onze eigen advocaat, die als bijlage bij de punten gevoegd werd.” IX-10.422-37/49 De beleidsmedewerker verklaart hieromtrent: “Op de dag van haar terugkeer in augustus 2022 heeft [verzoekster] verschillende keren gewezen op het feit dat zij perfect op de hoogte was en goed gebrieft was over de actuele situatie in het lokaal bestuur. […] Zij heeft tijdens het gesprek met de burgemeester en de algemeen directeur, waar ik ook bij aanwezig was omdat de algemeen directeur die week in verlof zou gaan, gezegd dat zij nog de notulen heeft kunnen raadplegen in meeting.net. […] [R], de leverancier van de notulensoftware, werd door ons gecontacteerd en zij konden bevestigen dat de machtiging voor meeting.net, de pc-versie dus, wel on hold stond maar dat zij wel nog kon inloggen via meeting.mobile, de mobiele versie van ons notuleringspakket voor de mandatarissen. Zij kon via meeting.mobile nog alle punten raadplegen. Zij had bijgevolg ook toegang tot de vertrouwelijke punten, alsook alle bijlagen. Via [de softwareleverancier] hebben wij dan een lijst gekregen van welke dossiers zij geraadpleegd heeft vanaf 24 mei 2022. De eventueel geraadpleegde dossiers van voor die periode konden zij ons niet meer ter beschikking stellen. Toen wij die lijst van [de softwareleverancier] nakeken, waren wij toch geschrokken. Zij heeft erg vaak persoonlijke dossiers, te zien aan de vermelding ‘[initialen verzoekster]’, geraadpleegd, waaraan ook bijvoorbeeld adviezen van de advocaat van de gemeente gekoppeld waren. Ze is deze dus echt gaan opzoeken. Ze moet op dat moment geweten hebben dat ze te ver ging. [Verzoekster] is trouwens juriste, dus ze moet het vertrouwelijk karakter van de adviezen en briefwisseling van onze advocaat over haar dossier kunnen inschatten hebben. Ook de tijdstippen waarop zij de dossiers geraadpleegd heeft, waren opvallend. Dit was vaak op momenten dat er niemand aan het werk was, ’s avonds laat of op vrijdagnamiddag. Waarschijnlijk wilde ze zeker zijn dat niemand kon zien dat zij het agendapunt aan het inkijken was. In meeting.net kunnen wij immers zien wie op welk moment een punt aan het lezen is.” 43.3. Gelet op wat voorafgaat, zowel stuk nr. 155 van het administratief dossier als de aangehaalde verklaringen, ziet de Raad van State niet in waarom de tuchtoverheid het betrokken tuchtfeit niet als bewezen mocht beschouwen en waarom de beroepscommissie niet vermocht te overwegen dat verzoekster “tijdens haar ziekteverlof via digitale weg inzage heeft genomen in dossiers die haar aanbelangden en die betrekking hadden op procedures waarin zij met OCMW Bekkevoort tegenstrijdige belangen had”. 43.4. Pas in haar memorie van wederantwoord – en dus laattijdig – onderneemt verzoekster een poging om de vaststellingen daaromtrent in het IX-10.422-38/49 tuchtverslag en de verklaringen die als bijlage bij het tuchtverslag zijn gevoegd, te weerleggen. 44. Het middelonderdeel wordt verworpen. f. Besluit 45. Het derde middel wordt in zijn geheel verworpen. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel 46. Het vierde middel is genomen uit de schending van het evenredigheidsbeginsel en de materiëlemotiveringsplicht. Verzoekster voert aan dat het ontslag van ambtswege enkel kan worden opgelegd indien de vertrouwensrelatie onherstelbaar is verstoord omwille van de vastgestelde tuchtvergrijpen en niet om een personeelslid met wie de vertrouwensrelatie is beschadigd, te dumpen. Volgens verzoekster blijkt uit het dossier dat de tuchtfeiten – zelfs als ze volledig bewezen zouden zijn – voor het lokaal bestuur niet van die aard waren dat ze een verdere samenwerking met onmiddellijke ingang onmogelijk maakten. Zo heeft het vast bureau bij het opstarten van de tuchtprocedure op 24 oktober 2022 verzoekster niet preventief geschorst, wat erop wijst dat het van oordeel was dat de feiten niet van die aard waren dat de verdere aanwezigheid van verzoekster onverenigbaar was met het belang van de dienst. Voorts heeft het vast bureau op 31 oktober 2022 ook kennis genomen van het voorstel van de algemeen directeur om de taken inzake het bijzonder comité voor de sociale dienst aan verzoekster te delegeren en is het afsprakenkader inzake verzoeksters werkhervatting goedgekeurd. Na de kennisname van het tuchtverslag op 13 maart 2023 heeft het vast bureau het evenmin nodig geacht om verzoekster preventief te schorsen of vrij te stellen van dienst. Dit toont aan dat de tuchtfeiten niet van die aard waren dat ze voor het IX-10.422-39/49 bestuur en de algemeen directeur aanleiding gaven tot een volledige vertrouwensbreuk. Alleen al om die reden is de tuchtstraf niet evenredig met de vastgestelde tuchtfeiten. Bovendien had de tuchtoverheid, aldus verzoekster, ook rekening moeten houden met haar verdiensten voor het lokaal bestuur. Zij was sedert 1996 personeelslid van het OCMW en heeft als OCMW-secretaris mee de bakens uitgezet van het bestuur zoals het er vandaag uitziet. Ook het feit dat verzoekster gedurende haar loopbaan geen enkele negatieve evaluatie of tuchtsanctie heeft gekregen, alsook de aard van de ten laste gelegde feiten en de context waarin ze werden gepleegd, had de tuchtoverheid in rekening moeten brengen. De tuchtoverheid had dan, zo meent verzoekster, in alle redelijkheid tot een minder zware tuchtstraf moeten besluiten. Verzoekster stelt dat de door de beroepscommissie aangehaalde motieven voor het oordeel dat de opgelegde tuchtsanctie de enige optie was, niet draagkrachtig zijn. Zij argumenteert dat de beroepscommissie vooreerst ten onrechte beweert dat de functie van afdelingshoofd Mens volledig in lijn ligt met de functie van OCMW-secretaris. In de laatstgenoemde functie had verzoekster geen enkele bevoegdheid voor de diensten bestuurszaken en vrije tijd. Zij stond aan het hoofd van de OCMW-diensten, stuurde het personeel van die diensten aan en zij was betrokken bij het bepalen van het beleid. Als afdelingshoofd Mens werd haar gevraagd om de operationele taken van de hoofdmaatschappelijk werker voortaan zelf te doen en had zij zelfs geen toegang meer tot de verslagen van het vast bureau. Eveneens onjuist is, zo betoogt verzoekster, de overweging dat zij haar zinnen enkel had gezet op de functie van algemeen directeur. Dit wordt tegengesproken door de stukken uit het dossier, waaruit blijkt dat zij na consensuspogingen in 2018 onder bepaalde strikte voorwaarden akkoord is gegaan met de functie van adjunct-algemeen directeur. Verzoekster heeft ook geen vernietigingsberoep ingesteld tegen de aanstelling van de algemeen directeur én de algemeen directeur heeft tijdens het getuigenverhoor verklaard dat verzoekster nooit algemeen directeur wilde worden. Verzoekster ontkent ook dat zij heeft geweigerd om haar functie uit te oefenen en zij wijst erop dat zij zich van zodra haar gezondheidstoestand het toeliet op het werk heeft aangeboden, tot tweemaal toe, en haar functie ook daadwerkelijk gedurende verschillende weken heeft IX-10.422-40/49 uitgeoefend. Tot slot verduidelijkt de beroepscommissie niet, zo argumenteert verzoekster, hoe de door haar bewezen verklaarde tuchtfeiten stuk voor stuk zouden kaderen in dat opzet, waarmee zij vermoedelijk doelt op de beweerde rancune van verzoekster omwille van haar niet-aanstelling als algemeen directeur. Hoe het aldus handelen van verzoekster elke verdere samenwerking met het bestuur onmogelijk heeft gemaakt, wordt evenmin verduidelijkt, laat staan gemotiveerd. Nochtans brengt die vaststelling de beroepscommissie wel tot de verregaande conclusie dat het opleggen van de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege de enige optie was. Door aldus te oordelen heeft de beroepscommissie de materiëlemotiveringsplicht geschonden, zo stelt verzoekster. Bovendien heeft de beroepscommissie niet geantwoord op verzoeksters argumentatie dat de tuchtoverheid het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden. Integendeel heeft de beroepscommissie zelf dat beginsel geschonden door te oordelen dat die sanctie de enige mogelijke was. 47. In de memorie van wederantwoord doet verzoekster gelden dat de bewering dat er een onherstelbare vertrouwensbreuk is ontstaan, wordt tegengesproken door de houding van de tweede verwerende partij. Het vast bureau heeft immers op 31 oktober 2022 – dus na het opstarten van de tuchtprocedure – een afsprakenkader goedgekeurd om verzoeksters werkhervatting te faciliteren, heeft verzoekster op geen enkel moment tijdens de tuchtprocedure preventief geschorst en naar verzoekster ook na het opstarten van de tuchtprocedure nog e- mailberichten gestuurd met daarin links die haar toegang gaven tot de digitale omgeving waarin zij verschillende documenten kon inkijken, terwijl net die beweerde inzagen werden aangegrepen als tuchtfeit waaruit een onherstelbare vertrouwensbreuk zou zijn gevolgd. Voorts betwist verzoekster dat het ontslag van ambtswege de enige denkbare tuchtsanctie was. Zij argumenteert dat het uit de dienst duwen van een personeelslid waarmee er een vertrouwensbreuk is, niet de finaliteit is van de tuchtprocedure. Wel is die procedure erop gericht om een sanctie op te leggen die in een redelijke verhouding staat tot de bewezen tuchtvergrijpen, wat hier niet het geval is. Verzoekster voegt daaraan nog toe dat zelfs indien er een onherstelbare vertrouwensbreuk zou zijn geweest, de tweede verwerende partij vanaf 1 oktober 2023 over andere wettelijke mogelijkheden beschikte om de IX-10.422-41/49 samenwerking te beëindigen. Zij refereert daarbij aan de inwerkingtreding van het decreet van 16 juni 2023 ‘tot wijziging van het Provinciedecreet van 9 december 2005 en het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, wat betreft de beëindiging van de hoedanigheid van het statutaire personeelslid’ (“ontslagdecreet”) dat de tuchtsanctie van het ontslag van ambtswege (en de afzetting) heeft opgeheven en waardoor de samenwerking met een statutair personeelslid enkel nog kan worden beëindigd volgens de regels van de arbeidsovereenkomstenwet. Hoewel de eerste bestreden beslissing dateert van vóór de inwerkingtreding van voornoemd decreet, meent verzoekster dat dit toch van belang is voor de achtergrond van onderhavige zaak, omdat de tweede verwerende partij al op de hoogte was van deze alternatieve wijze van beëindiging van het dienstverband vóór zij op 3 juli 2023 aan verzoekster het ontslag van ambtswege heeft opgelegd. In die omstandigheden kan, aldus verzoekster, onmogelijk worden volgehouden dat het ontslag van ambtswege de enige gepaste sanctie was omdat elke andere sanctie impliceert dat zij in dienst blijft van het bestuur. 48. In haar laatste memorie laat verzoekster nog gelden dat haar argumentatie met betrekking tot het ontslagdecreet in de memorie van wederantwoord een repliek is op de bewering van de verwerende partijen dat het ontslag van ambtswege de enige optie was gelet op de vertrouwensbreuk. Daarmee heeft zij aangetoond dat er wél andere opties mogelijk waren. Haar argumentatie is dan ook niet laattijdig of zonder relevantie. Beoordeling 49. Bij het bepalen van de aard en de zwaarte van de op te leggen tuchtstraf beschikt de tuchtoverheid over een ruime appreciatiebevoegdheid, die de redelijkheid als grens heeft. Zij zal daarbij inzonderheid rekening dienen te houden met de aard van de ten laste gelegde feiten, de tuchtrechtelijk vervolgde persoon, de omstandigheden waarin de feiten zijn gepleegd en de goede werking van de dienst. IX-10.422-42/49 Het valt aan de Raad van State binnen het raam van zijn wettigheidstoezicht niet toe om in de plaats van de tuchtoverheid een oordeel te vellen over de wenselijke strafmaat. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de tuchtoverheid bij haar keuze van de strafmaat een evenredige beslissing heeft genomen, dit is een beslissing die binnen de grenzen van de redelijkheid is gesitueerd. Het evenredigheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur kan slechts geschonden zijn indien de tuchtoverheid een beslissing neemt die dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon, dat het niet denkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende tuchtoverheid in dezelfde omstandigheden tot die beslissing zou komen. De Raad van State gaat bij de beoordeling van de evenredigheid van de bestreden beslissingen uit van de feiten zoals ze blijken uit de bestreden beslissingen en waarvan verzoekster de onwettigheid niet heeft aangetoond, getoetst aan de door verzoekster in het middel aangevoerde argumenten die volgens haar doen blijken dat de bestreden beslissingen het redelijkheidsbeginsel miskennen. 50. Anders dan verzoekster aanvoert, kan het ontslag van ambtswege niet enkel worden opgelegd indien is aangetoond dat de vertrouwensrelatie onherstelbaar is verstoord. Waar het om gaat is of de tuchtoverheid met haar keuze voor die tuchtstraf binnen de grenzen van de redelijkheid is gebleven. 51. Bij de beoordeling van het derde middel is reeds vastgesteld dat verzoekster niet erin is geslaagd om aan te tonen dat de verwerende partijen ten onrechte hebben geoordeeld dat de drie tuchtfeiten bewezen zijn en aan verzoekster kunnen worden toegeschreven. 52. De tuchtoverheid motiveert haar keuze voor de opgelegde tuchtstraf als volgt: IX-10.422-43/49 “De tuchtonderzoeker meldde in het tuchtverslag voor het bepalen van de strafmaat op navolgende verzachtende omstandigheden: • [Verzoekster] kreeg nog geen negatieve evaluaties. • [Verzoekster] kreeg nog geen eerdere tuchtsancties opgelegd. • Uit samenlezing van de verschillende verhoren blijkt dat [verzoekster] het erg moeilijk heeft gehad met de keuze van […] als algemeen directeur van het lokaal bestuur. De samenwerking tussen beiden was bij momenten verre van ideaal, zonder dat vaststaat dat dit volledig aan één persoon was te wijten. Voor het bepalen van de strafmaat wees de tuchtonderzoeker op navolgende verzwarende omstandigheden: • Er zijn drie bewezen tuchtfeiten. • De tuchtfeiten maken meerdere ernstige tuchtvergrijpen uit. • Voor elk van de drie bewezen tuchtfeiten is er sprake van herhaling / een aanhoudende weigering. • Er werd inzage genomen in vertrouwelijke informatie, zelfs informatie over dossiers die [verzoekster] zelf aanbelangden, in het bijzonder naar aanleiding van een aantal gerechtelijke procedures waarin ze zelf eisende partij was ten aanzien van het OCMW. Zij had hierbij bijvoorbeeld zelfs toegang tot de adviezen van de advocaat van het OCMW, de verwerende partij in de door haar aangespannen procedures. • [Verzoekster] is lid van het managementteam en bekleedt aldus een voorbeeldfunctie in het lokaal bestuur. Gelet op bovenstaande achtte de tuchtonderzoeker het aangewezen een tuchtstraf uit de zwaarste categorieën op te leggen. [Verzoekster] wierp ter zitting d.d. 27 april 2023 op dat zij in hoofdorde van oordeel is dat haar geen straf kan opgelegd worden. In ondergeschikte orde stelde zij dat zelfs als de feiten als bewezen zouden beschouwd worden, het ontslag van ambtswege een straf buiten proportie zou zijn gelet op haar verleden bij het bestuur en haar verdiensten. Eveneens in de zitting d.d. 27 april 2023 wees [verzoekster] erop dat onvoldoende rekening wordt gehouden met de verantwoordelijkheid van de werkgever, meer bepaald m.b.t. de integratie van het OCMW en de gemeente. Meer bepaald kaartte zij navolgende zaken bijkomend aan • Het organogram, het niet invullen van functie hoofd maatschappelijk werker; • Het besluit van het Vast Bureau betreffende de aanleg van een werfreserve; • Het toepassen van het arbeidsreglement en de deontologie omtrent elektronische communicatie; • De deontologische code en de ongelijke behandeling van het personeel inzake de doorverwijzing naar Medex; en • Het besluit van het Vast Bureau van 9 augustus 2019 inzake het actieplan en maatregelen voor welzijn In tegenstelling tot wat [verzoekster] beweert, stelde de tuchtonderzoeker IX-10.422-44/49 vast dat de feiten wel degelijk als bewezen dienen te worden beschouwd. Bij het bepalen van de strafmaat dient de tuchtoverheid rekening te houden met de aard van de tenlastegelegde feiten, de persoon van [verzoekster] en de functie die zij uitoefent, de omstandigheden waarin de feiten zich hebben voorgedaan, de goede werking van de dienst evenals alle relevante omstandigheden, waaronder ook de elementen die door [verzoekster] in haar verdediging werden aangehaald. Met betrekking tot de strafverzachtende omstandigheden neemt de tuchtoverheid kennis van de door de tuchtonderzoeker en de door [verzoekster] aangehaalde verzachtende elementen. Met betrekking tot de strafverzwarende elementen neemt de tuchtoverheid kennis van de door de tuchtonderzoeker aangehaalde verzwarende omstandigheden. De tuchtonderzoeker oordeelde in het tuchtverslag dat de tuchtfeiten een tuchtstraf uit de zwaarste categorieën rechtvaardigen. De bewezen tenlastegelegde feiten zijn naar oordeel van de tuchtoverheid hiervoor inderdaad voldoende ernstig. Als afdelingshoofd Mens en lid van het managementteam vertegenwoordigt betrokkene het bestuur en het OCMW. Door de vooropgestelde deontologische code en kernwaarden, geeft betrokkene een foutief en nalatig beeld weer van het OCMW. Des te meer gelet zij via haar functie vaak in contact dient te komen met derden. Gelet op de functie van [verzoekster] is de tuchtoverheid dan ook de mening toegedaan dat een dergelijke houding niet past voor iemand in een leidinggevende managementfunctie – en dus ook voorbeeldfunctie – in een lokaal bestuur. Uit het gehele tuchtdossier blijkt bovendien een onrustwekkend gebrek aan schuldinzicht in de ernst van haar handelen en de omstandigheden waarin de gedragingen plaatsvonden. Het valt te betreuren dat [verzoekster] opwerpt dat het probleem niet bij haar zou liggen, maar bij de werkgever zelf. De tuchtoverheid benadrukt dat deze reeks tenlastegelegde gedragingen en gebeurtenissen eveneens op voldoende concrete wijze aantonen dat aan [verzoekster] een algemene laakbare gedraging en houding kan worden verweten. Te meer gelet er een herhaling viel terug te vinden in de gedragingen en [verzoekster] tot op heden geen schuldbesef heeft aangetoond. Hoewel [verzoekster] verwijst naar de moeilijkheden op de werkvloer, doet dit geen afbreuk aan de vaststelling van de tuchtfeiten, noch wordt één en ander deugdelijk onderbouwd. Het ontslag van ambtswege is in de gegeven omstandigheden dan ook de enige gepaste sanctie. Elke andere sanctie impliceert immers dat betrokkene in dienst blijft van het bestuur. Zo oordeelde de Raad van State reeds in het verleden dat een weigering van een personeelslid om zijn functie op te nemen aanleiding kan geven tot het ontslag van ambtswege. (RvS 25 januari 2010, nr. 199.970; RvS 27 april 2021, nr. 250.430) [Verzoekster] heeft het vertrouwen van het Vast Bureau, alsook het vertrouwen van de collega’s en leidinggevenden op de werkvloer onherstelbaar beschadigd, waardoor zij onmogelijk nog kan fungeren / functioneren als medewerker van het OCMW, op welk niveau en in welke functie dan ook. Eventuele positieve evaluaties doen geen afbreuk aan het IX-10.422-45/49 kunnen opleggen van een zware sanctie. (RvS 20 juni 2012, nr. 219.876) Om voormelde redenen en na een grondige analyse van het gehele tuchtdossier, de verweermiddelen van betrokkene en van de omstandigheden van de zaak, besluit de tuchtoverheid om [verzoekster] te sanctioneren met het ontslag van ambtswege. De tuchtoverheid beseft dat deze sanctie de op één na zwaarste is die de toepasselijke regelgeving voorziet, doch het is voor de tuchtoverheid de enige sanctie die in alle redelijkheid evenredig is tot de verschillende aangehouden tuchtfeiten lastens [verzoekster]. Hoewel er verzachtende omstandigheden werden aangebracht door [verzoekster] en de tuchtonderzoeker, is de tuchtoverheid van oordeel dat deze geen afbreuk doen aan de zwaarwichtigheid van de vastgestelde tuchtfeiten.” 53. Aldus overweegt de tuchtoverheid dat de bewezen tuchtfeiten voldoende ernstig zijn om een tuchtstraf uit de zwaarste categorieën te rechtvaardigen. Zij motiveert dat verzoeksters houding een foutief en nalatig beeld geeft van het OCMW, wat des te meer klemt daar verzoekster een leidinggevende managementfunctie heeft en vaak in contact dient te komen met derden. Bovendien blijkt uit het dossier een gebrek aan schuldinzicht in de ernst van verzoeksters handelen en de omstandigheden waarin de gedragingen plaatsvonden. De feiten wijzen, aldus de tuchtoverheid, ook op een algemeen laakbaar gedrag en laakbare houding. Bovendien is er sprake van herhaling en toont verzoekster geen enkel schuldbesef. Volgens de tuchtoverheid heeft verzoekster het vertrouwen van het vast bureau, de collega’s en de leidinggevenden onherstelbaar beschadigd, waardoor zij onmogelijk nog verder kan functioneren binnen het OCMW. Om die reden meent de tuchtoverheid dat het ontslag van ambtswege – hoewel het de op één na zwaarste tuchtstraf is – de enige gepaste sanctie is, aangezien elke andere straf impliceert dat verzoekster in dienst blijft van het bestuur. 54. De beroepscommissie, van haar kant, valt de tuchtbeslissing wat de strafmaat betreft bij, waarbij zij overweegt wat volgt: “Nadat [verzoekster] door het bestuur niet werd weerhouden om het ambt van Algemeen Directeur uit te voeren, werd haar een functie aangeboden als Afdelingshoofd Mens. Deze functie lag volledig in lijn van de functie die [verzoekster] uitoefende vóór de integratie van het OCMW in de gemeente, nl. de functie van OCMW-secretaris. Blijkbaar was dit niet naar de zin van [verzoekster] die haar zinnen enkel had gezet op de functie van Algemeen Directeur. [Verzoekster] heeft dan IX-10.422-46/49 blijkbaar maar voor zichzelf uitgemaakt haar nieuwe functie niet uit te oefenen. De 3 bewezen feiten kaderen allen in dat opzet. Door aldus te handelen heeft [verzoekster] elke verdere samenwerking met het bestuur onmogelijk gemaakt. In acht genomen deze omstandigheden was het opleggen van de tuchtstraf ‘ontslag van ambtswege’ voor het OCMW Bekkevoort de enige optie.” De beroepscommissie motiveert aldus dat verzoekster ervoor heeft geopteerd om haar nieuwe functie niet uit te oefenen, dat de drie bewezen tuchtfeiten kaderen in dat opzet en dat verzoekster, door aldus te handelen, elke verdere samenwerking met het bestuur onmogelijk heeft gemaakt zodat het opleggen van de tuchtstraf ‘ontslag van ambtswege’ de enige optie was. 55. Met die motivering biedt de beroepscommissie een antwoord op verzoeksters argumentatie omtrent het evenredigheidsbeginsel. Er wordt immers uiteengezet dat en waarom het ontslag van ambtswege “de enige optie” was. Dit antwoord volstaat in het licht van de formelemotiveringsplicht. 56. Dat de functie van afdelingshoofd Mens volledig in lijn ligt met de functie van OCMW-secretaris die verzoekster voorheen uitoefende – in arrest nr. 260.042 van 6 juni 2024 heeft de Raad van State overigens geoordeeld dat de functie van afdelingshoofd Mens wel een passende functie is, zoals bedoeld in artikel 589, § 1, van het decreet lokaal bestuur – en dat verzoekster haar zinnen enkel had gezet op de functie van algemeen directeur, zijn geen schragende motieven voor de beroepscommissie om de tuchtbeslissing ook op het vlak van de strafmaat te bevestigen – en dus niet te vernietigen. Verzoeksters kritiek daarop kan bijgevolg niet tot de nietigverklaring leiden. 57.1. Wél een determinerend motief is dat verzoekster door de weigering zélf om haar nieuwe functie en de haar opgedragen taken uit voeren, elke verdere samenwerking met het bestuur onmogelijk heeft gemaakt zodat het opleggen van de tuchtstraf ‘ontslag van ambtswege’ de enige optie is. IX-10.422-47/49 57.2. Verzoekster laat uitschijnen dat zij het verband tussen een en ander niet ziet. Voor de Raad van State is dit nochtans glashelder. Van een personeelslid waarvan wordt vastgesteld dat zij weigert om de haar opgedragen taken uit te voeren en om haar nieuwe functie concreet en echt invulling te geven, is het allerminst onredelijk om te oordelen dat de samenwerking geen toekomst heeft. 57.3. Verzoeksters bewering dat zij “nooit [heeft] geweigerd om haar functie uit te oefenen” en haar argumenten in dat verband, vertonen bij de beoordeling van dit middel geen relevantie. Immers, bij de bespreking van het derde middel is gebleken dat verzoekster het bewezen karakter van de tuchtfeiten niet aan het wankelen heeft gebracht. Evenmin toont zij aan dat het ondenkbaar is dat enige andere zorgvuldig handelende tuchtoverheid in dezelfde omstandigheden tot dezelfde beslissing zou komen. 58. Verzoekster had haar argumentatie in verband met het ontslagdecreet reeds in het verzoekschrift kunnen aanvoeren. Voor het eerst aangevoerd in de memorie van wederantwoord is deze laattijdig en dienvolgens onontvankelijk. Bovendien was het ontslagdecreet, zoals verzoekster ook zelf erkent, niet van toepassing op het moment van de eerste bestreden beslissing zodat haar betoog dienaangaande eveneens elke relevantie mist. 59. Verzoekster overtuigt niet van de schending van de door haar aangevoerde beginselen. Het vierde middel wordt verworpen. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. IX-10.422-48/49 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 1540 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partijen, elk voor de helft. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vijfentwintig juni tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Jurgen Neuts, staatsraad, David D’Hooghe, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-10.422-49/49 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.267.248