ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.267.246 — ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.267.246 — Conseil d'État
Zusammenfassung (Sachverhalt & Erwägungen)
KI-strukturiertRAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 267.246 van 25 juni 2026 in de zaak A. 245.027/VII-42.916 In zake : B.S. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Patrick Herbots kantoor houdend te 2610 Wilrijk Krijgslaan 98 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de PROVINCIE WEST-VLAANDEREN Tussenkomende partij : de VZW SINT-AMANDSBASISSCHOLEN KORTRIJK bijgestaan en vertegenwoordigd door advocate...
Leitsatz / Regeste
KI-strukturiertVolltext des Entscheids — ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.267.246
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 267.246 van 25 juni 2026 in de zaak A. 245.027/VII-42.916 In zake : B.S. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Patrick Herbots kantoor houdend te 2610 Wilrijk Krijgslaan 98 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de PROVINCIE WEST-VLAANDEREN Tussenkomende partij : de VZW SINT-AMANDSBASISSCHOLEN KORTRIJK bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Meindert Gees en Hanna Biebauw kantoor houdend te 8500 Kortrijk Engelse Wandeling 2/F5 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het cassatieberoep, ingesteld op 5 juni 2025, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2425-0768 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 8 mei 2025 in de zaak 2425-RvVb-0076-A. II. Verloop van de rechtspleging 2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 2 september 2025. Verzoeker heeft een toelichtende memorie ingediend. VII-42.916-1/13 De vzw Sint-Amandsbasisscholen Kortrijk heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 24 oktober 2025. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Tom De Waele heeft op 29 januari 2026 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’ (hierna: cassatieprocedurebesluit). Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 juni 2026. Staatsraad Francis Van Nuffel heeft verslag uitgebracht. Verzoeker, die in persoon verschijnt, en advocaat Isaac Defoort, die loco advocaten Meindert Gees en Hanna Biebauw verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Tom De Waele heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS- wet). VII-42.916-2/13 III. Regelmatigheid van de rechtspleging 3. Verzoeker heeft naar aanleiding van de memorie van de tussenkomende partij een “aanvullende memorie” ingediend. Het cassatieprocedurebesluit voorziet niet in die mogelijkheid. Het stuk wordt uit het debat geweerd. 4. In het verzoek tot voorzetting van de procedure antwoordt verzoeker op het auditoraatsverslag. Het cassatieprocedurebesluit voorziet niet in de mogelijkheid om na de kennisgeving van het auditoraatsverslag nog een schriftelijke uiteenzetting in te dienen. Wanneer de auditeur concludeert dat het cassatieberoep moet worden verworpen, kan de verzoekende partij luidens artikel 18 van het cassatieprocedurebesluit vragen dat de procedure wordt voortgezet, bij gebreke waaraan de afstand van het geding kan worden uitgesproken. Het verzoek tot voortzetting van de procedure van verzoeker wordt slechts als procedurestuk aanvaard in zoverre hierin wordt verzocht om de procedure voort te zetten. In zoverre het stuk een schriftelijke voorbereiding vormt van de mondelinge uiteenzetting op de terechtzitting, wordt het beschouwd als een loutere inlichting. IV. Feiten 5.1. Het college van burgemeester en schepenen van Kortrijk verleent aan de tussenkomende partij een omgevingsvergunning. Verzoeker tekent hiertegen bestuurlijk beroep aan. Met een beslissing van 25 juli 2024 verwerpt de verwerende partij dat beroep en verleent zij de omgevingsvergunning aan de tussenkomende partij. 5.2. Verzoeker dient op 1 oktober 2024 bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) een beroep in tot vernietiging van de vergunningsbeslissing van 25 juli 2024. Het bestreden arrest verklaart dit beroep onontvankelijk wegens laattijdigheid. VII-42.916-3/13 V. Onderzoek van de middelen tot nietigverklaring A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 6. Verzoeker voert de schending aan van artikel 105, § 3, van het decreet van 25 april 2014 ‘betreffende de omgevingsvergunning’ (hierna: omgevingsvergunningsdecreet), en van de artikelen 2, 10° en 62, eerste lid, 2°, van het besluit van de Vlaamse regering van 27 november 2015 ‘tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning’ (hierna: omgevingsvergunningsbesluit). Hij komt op tegen de beoordeling van de RvVb dat zijn beroep niet ontvankelijk is omdat het werd ingesteld na het verstrijken van de termijn van 45 dagen nadat de vergunningsbeslissing hem werd betekend. Volgens verzoeker heeft de zending die via het omgevingsloket werd verstuurd, hem niet bereikt. Er kan volgens hem in dat geval geen sprake zijn van een “beveiligde zending” in de zin van artikel 2, 10°, van het omgevingsvergunningsbesluit. De woorden “worden uitgewisseld” in die bepaling zouden ondubbelzinnig erop wijzen dat er sprake moet zijn van een uitwisseling van gegevens. Dit betekent volgens verzoeker dat niet kan worden volstaan met een interne registratie van gegevens, maar dat er een daadwerkelijke overdracht van gegevens moet plaatsvinden. Hij wijst erop dat hij in de verantwoordingsnota bij de RvVb duidelijk heeft bewezen dat hij op de hoogte werd gebracht van de beslissing, niet via een zending verstuurd via het omgevingsloket, maar door zelf op eigen initiatief te gaan kijken op het omgevingsloket. Wanneer de beroepsindiener het bewijs levert dat de digitale zending die via het omgevingsloket werd verstuurd, niet is aangekomen, heeft er volgens verzoeker geen gegevensuitwisseling ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.267.246 VII-42.916-4/13 plaatsgevonden en werd de beslissing dan ook niet met een “beveiligde zending” ter kennis gebracht. De RvVb zou dan ook de voormelde bepalingen schenden door te oordelen dat de beslissing hem met een “beveiligde zending” ter beschikking werd gesteld. Beoordeling 7. Op grond van artikel 105, § 3, van het omgevingsvergunningsdecreet moet het beroep bij de RvVb op straffe van onontvankelijkheid worden ingesteld binnen een vervaltermijn van 45 dagen die ingaat: 1° de dag na de datum van de betekening, voor die personen of instanties aan wie de beslissing betekend wordt; 2° de dag na de eerste dag van de aanplakking van de beslissing in de overige gevallen. 8. Krachtens artikel 62, eerste lid, 2°, van het omgevingsvergunningsbesluit dient de vergunningsbeslissing ter beschikking te worden gesteld van de beroepsindiener met een beveiligde zending. Onder “beveiligde zending” wordt blijkens artikel 2, 10°, van het omgevingsvergunningsbesluit - in overeenstemming met artikel 2, eerste lid, 2°, c), van het omgevingsvergunningsdecreet - verstaan: “een van de onderstaande betekeningswijzen: a) een analoge zending: een aangetekende brief of een afgifte tegen ontvangstbewijs; b) een digitale zending: een zending via het omgevingsloket of het uitwisselingsplatform, op voorwaarde dat de gegevens worden uitgewisseld conform de bepalingen van dit besluit”. 9. Het bestreden arrest stelt vast dat “[u]it de gegevens in het [o]mgevingsloket blijkt dat [de bestreden beslissing aan verzoeker werd betekend] op 9 augustus 2024” en dat verzoeker “[niet betwist] dat in het [o]mgevingsloket te zien is dat de bestreden beslissing [hem] werd betekend”. VII-42.916-5/13 Uit de stukken waarop de Raad van State acht kan slaan, blijkt niet dat verzoeker voor de RvVb heeft aangevoerd dat de betekening via beveiligde digitale zending slechts plaatsvindt wanneer wordt aangetoond dat het elektronisch bericht dat vanuit het omgevingsloket wordt verzonden, de bestemmeling daadwerkelijk heeft bereikt. In zijn argumenten voor de RvVb heeft verzoeker wel aangevoerd dat het elektronisch bericht dat vanuit het omgevingsloket werd verzonden, hem niet heeft bereikt ten gevolge van een situatie van overmacht. Het bestreden arrest oordeelt dat de door verzoeker aangevoerde omstandigheden geen overmacht uitmaken. Verzoeker komt in het cassatiemiddel niet op tegen die beoordeling. 10. Verzoeker kan de in het cassatiemiddel ontwikkelde kritiek niet voor het eerst in graad van cassatie aanvoeren. Het middel is niet ontvankelijk. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 11. Verzoeker voert de schending aan van artikel 62, eerste lid, 2°, van het omgevingsvergunningsbesluit, het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht (in samenhang met artikel 149 van de Grondwet), het beginsel van behoorlijk bestuur, het zorgvuldigheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel (in samenhang met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet), het vertrouwensbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en het recht op toegang tot de rechter. Hij voert aan dat de deputatiebeslissing van 25 juli 2024 pas op 9 augustus 2024 ter beschikking werd gesteld via het omgevingsloket, hetzij na het verstrijken van de termijn van tien dagen die wordt voorzien door artikel 62, eerste lid, 2°, van het omgevingsvergunningsbesluit. Verzoeker merkt daarbij op dat de RvVb die termijnoverschrijding wel vaststelt, maar nalaat om hieraan enig ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.267.246 VII-42.916-6/13 gevolg te verbinden. De RvVb zou aldus “het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur” miskennen, op grond waarvan besluiten kunnen worden vernietigd wegens schending van substantiële en op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvereisten of schending van het recht, waaronder de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Ook zou de RvVb de in artikel 149 van de Grondwet bepaalde motiveringsplicht schenden nu het bestreden arrest ontoereikend is gemotiveerd in zoverre geen afweging wordt gemaakt van de gevolgen van de termijnoverschrijding door het bestuur, en in het bijzonder waarom zij geen impact heeft op de ontvankelijkheidstoets van het beroep van verzoeker. Verzoeker laat gelden dat de termijn van tien dagen die wordt voorzien in artikel 62, eerste lid, 2°, van het omgevingsvergunningsbesluit ertoe strekt de rechten van de belanghebbenden te waarborgen, en rechtstreeks relevant is voor de beoordeling van het aanvangspunt van de beroepstermijn. Het zou gaan om een substantiële verplichting, nu ze een essentiële procedurewaarborg draagt. De overschrijding ervan zou mogelijk een impact hebben op de mogelijkheid om een effectief rechtsmiddel aan te wenden. De RvVb had dan ook volgens verzoeker ambtshalve moeten onderzoeken of de termijnoverschrijding een schending inhoudt van artikel 62, eerste lid, 2°, van het omgevingsvergunningsbesluit, dan wel van verzoekers recht op een eerlijk proces. Eén en ander zou volgens verzoeker des te meer gelden gelet op het verlies aan rechtszekerheid en de afbreuk aan het vertrouwensbeginsel die het gevolg zijn van de omstandigheid dat verzoeker zelf op het omgevingsloket is gaan kijken op 4 augustus 2024, en er tien dagen na de bestreden vergunningsbeslissing geen kennisgeving vond. De RvVb zou dan ook ten onrechte voorhouden dat het voor verzoeker voorzienbaar was dat hij maar zelf op eigen initiatief op het omgevingsloket moest gaan kijken. Er zou van een burger moeilijk kunnen worden verwacht dat hij na de termijnoverschrijding van het bestuur dagelijks opnieuw het omgevingsloket moet consulteren. De onzorgvuldigheid van het bestuur had ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.267.246 VII-42.916-7/13 volgens verzoeker ertoe moeten leiden dat de datum van aanplakking van de deputatiebeslissing, 19 augustus 2024, de werkelijke en enige rechtsgeldige datum van kennisgeving aan verzoeker was. Verzoeker verwijt de RvVb de impact van de laattijdigheid van het bestuur op de door verzoeker aangehaalde middelen niet te hebben onderzocht, wat strijdig zou zijn met het zorgvuldigheidsbeginsel, “het beginsel van behoorlijk bestuur” en het rechtszekerheidsbeginsel. De door verzoeker in zijn verantwoordingsnota aangehaalde middelen zouden zonder deze miskenning van de laattijdigheid vanwege het bestuur, door de RvVb helemaal anders moeten zijn beoordeeld: de rechtsonzekerheid en onduidelijkheid die het gevolg zijn van deze laattijdigheid zouden immers grondig de andere aangehaalde middelen (dwaling, overmacht, …) hebben versterkt en geïmpacteerd. Verzoeker laat vervolgens gelden dat er geen absoluut vermoeden van kennisname bestaat. Het bestreden arrest onderzoekt niet of en wanneer verzoeker werkelijk kennis heeft genomen van de deputatiebeslissing, en gaat voort op een vermoeden van kennisname op grond van de zending via het omgevingsloket. Dat vermoeden zou echter een juridische fictie zijn die de effectieve realiteit van kennisname niet mag negeren indien daardoor het recht op toegang tot de rechter wordt aangetast. Het vermoeden zou zeker niet kunnen worden aanvaard wanneer de deputatie niet voldeed aan haar verplichting om de beslissing binnen de tien dagen ter kennis te brengen. De RvVb had dan ook volgens verzoeker moeten onderzoeken of en wanneer verzoeker effectief kennis kon nemen van de beslissing, of het wettelijk vermoeden in casu de rechtsbescherming schendt, en of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat het vermoeden niet absoluut kan worden toegepast. Door dit achterwege te laten en zich zonder motivering impliciet te beroepen op het loutere bestaan van het wettelijk vermoeden, heeft de RvVb volgens verzoeker de motiveringsplicht, in samenhang met artikel 149 van de Grondwet, geschonden. Bovendien zou deze gebrekkige motivering leiden tot een schending van het recht op toegang tot de rechter zoals gewaarborgd door artikel 6 van het Europees Verdrag voor de ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.267.246 VII-42.916-8/13 Rechten van de Mens (hierna: EVRM) en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. De RvVb zou niet motiveren waarom een laattijdige kennisgeving via een digitaal platform - zonder bewezen kennisname, ontvangstmelding of actieve mededeling aan de burger - voldoende zou zijn om de beroepstermijn te laten ingaan. Deze redenering zou de rechtszekerheid miskennen en het feit dat administratieve termijnen strikt moeten worden geïnterpreteerd, in het voordeel van de burger. Verzoeker vervolgt met de vaststelling dat de RvVb een onevenredige sanctie heeft toegepast door geen rekening te houden met het feit dat de deputatie zelf de wettelijke termijn overschreed. Die onevenredige sanctie schendt volgens verzoeker het gelijkheidsbeginsel (tevens verankerd in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet), het vertrouwensbeginsel, het evenredigheidsbeginsel, en het beginsel van het eerlijk proces en de gelijkheid van de wapens (verankerd in artikel 6.1 EVRM). De RvVb verklaarde het verzoekschrift van verzoeker immers niet ontvankelijk wegens een beperkte termijnoverschrijding, maar kende geen betekenis toe aan de termijnoverschrijding aan de zijde van het bestuur, hoewel zij werd vastgesteld. Het bestreden arrest zou ontoereikend gemotiveerd zijn in zoverre geen afweging werd gemaakt van de gevolgen van de termijnoverschrijding door het bestuur. Door aan te nemen dat een digitale kennisgeving automatisch en onweerlegbaar de termijn doet lopen, wordt verzoeker onredelijk gesanctioneerd, terwijl de burger zich niet met zekerheid zou kunnen vergewissen van de startdatum van de termijn. Dit zou rechtsonzekerheid creëren, de evenwichtige toepassing van procedureregels ondermijnen, en tot een ongelijke behandeling leiden. Het bestuur zou immers termijnen mogen overschrijden zonder gevolgen, terwijl een burger op een overschrijding met enkele dagen wordt afgerekend en op disproportionele wijze gesanctioneerd wordt. Deze asymmetrische en disproportionele behandeling schendt volgens verzoeker het proportionaliteitsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel, alsook het recht op toegang tot de rechter, verankerd in artikel 13 van de Grondwet en artikel 6.1 EVRM. VII-42.916-9/13 De strikte termijnberekening vanaf een kennisgevingsvorm die niet rechtszeker is en waarvan verzoeker pas later kennis kon nemen, zou het recht van verzoeker op toegang tot de rechter onevenredig beperken. Verzoeker wijst erop dat artikel 6 EVRM vereist dat procedureregels zodanig worden toegepast dat het recht op beroep effectief en niet louter theoretisch blijft. Ten slotte voert verzoeker aan dat het gelijkheidsbeginsel en het proportionaliteitsbeginsel ook werden geschonden nu met de betwiste vergunning een langdurige illegale toestand wordt geregulariseerd die aanzienlijke schade berokkent aan verzoeker, en verzoeker de toegang tot de rechter om hiertegen op te komen wordt ontzegd omwille van een kleine laattijdigheid. 12. In de toelichtende memorie voegt verzoeker hieraan toe dat de in het middel uiteengezette grieven wel degelijk voor het eerst in een cassatieberoep kunnen worden aangevoerd. Met verwijzing naar ’s Raads arrest nr. 256.327 van 24 april 2023 betoogt verzoeker dat het cassatieberoep een autonoom rechtsmiddel is, waarin middelen voor het eerst kunnen worden aangevoerd. Verder wijst hij op de omstandigheid dat de zogenaamde attentieplicht vernietigd werd door het Grondwettelijk Hof bij arrest nr. 59/2023 van 11 april 2023. Hieruit zou volgen dat verzoeker ook in graad van cassatie rechtsgeldig een middel kan opwerpen dat hij niet eerder bij de RvVb had aangevoerd. Beoordeling 13. Het bestreden arrest geeft de inhoud weer van artikel 62, eerste lid, 2°, van het omgevingsvergunningsbesluit en stelt vast dat de bestreden deputatiebeslissing aan verzoeker werd betekend via het omgevingsloket op 9 augustus 2024. Daarbij stelt de RvVb niet vast dat de deputatie de termijn van tien dagen bedoeld in artikel 62, eerste lid, 2°, van het omgevingsvergunningsbesluit heeft overschreden. Uit de omstandigheid dat het bestreden arrest elders ook vermeldt dat de deputatiebeslissing dateert van 25 juli 2024, zou weliswaar die overschrijding kunnen worden afgeleid, doch dit betekent ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.267.246 VII-42.916-10/13 niet dat de RvVb zelf deze overschrijding zou hebben vastgesteld. In zoverre verzoeker in het middel aanvoert dat de RvVb zelf een miskenning van artikel 62, eerste lid, 2°, van het omgevingsvergunningsbesluit heeft vastgesteld, gaat hij uit van een verkeerde lezing van het bestreden arrest. 14. Verzoeker heeft voor de RvVb niet aangevoerd dat de deputatie de in artikel 62, eerste lid, 2°, van het omgevingsvergunningsbesluit bedoelde termijn van tien dagen niet heeft nageleefd, en dat die omstandigheid ertoe leidt dat zijn beroep bij de RvVb niet als laattijdig kan worden beschouwd, minstens dat die omstandigheid dient betrokken te worden bij de beoordeling van de tijdigheid van het beroep van verzoeker. Ook heeft verzoeker voor de RvVb niet opgeworpen dat de betekening van de beslissing via het omgevingsloket de termijn om het beroep bij de RvVb in te stellen niet doet lopen zolang niet blijkt dat de beroepsindiener werkelijk kennis heeft genomen van de beslissing. Evenmin heeft verzoeker voor de RvVb aangevoerd dat de sanctie van de niet-ontvankelijkheid van zijn beroep wegens laattijdigheid strijdig is met het gelijkheidsbeginsel en het proportionaliteitsbeginsel, gelet op de geringe overschrijding van de termijn die in schril contrast zou staan tot de ernstige overtredingen die met de bestreden vergunningsbeslissing worden geregulariseerd. Hij kan deze grieven niet voor het eerst in graad van cassatie laten gelden. 15. De regel dat in een cassatieberoep in beginsel geen nieuwe middelen kunnen worden ontwikkeld, behoort tot de vaste rechtspraak van de Raad van State. De verwijzing van verzoeker naar ’s Raads arrest nr. 256.327 van 24 april 2023 ( ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.327 ) mist elk doel nu dat arrest betrekking heeft op een vernietigingsberoep in de zin van artikel 14, § 1, RvS-wet, en niet op een cassatieberoep in de zin van artikel 14, § 2, RvS-wet. De ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.267.246 VII-42.916-11/13 omstandigheid dat partijen voor de RvVb middelen mogen opwerpen die zij niet eerder in de bestuurlijke procedure hebben opgeworpen (en als zodanig niet onderworpen zijn aan de zogenaamde attentieplicht), betekent evenmin dat afbreuk kan worden gedaan aan het bijzonder karakter van het cassatieberoep en dat middelen voor het eerst in het cassatieberoep zouden kunnen worden aangevoerd. 16. De bestuursrechter is niet onderworpen aan een “algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht” dat ruimer zou zijn dan de verplichting die uit artikel 149 van de Grondwet volgt. De in artikel 149 van de Grondwet ingeschreven rechterlijke motiveringsverplichting heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak voldoet aan deze motiveringsplicht wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet - al waren ze verkeerd of onwettig - die hem ertoe brengen zijn beslissing te nemen. Nu de voormelde grieven niet aan de RvVb werden voorgelegd, behoorde het bestreden arrest hierover geen motieven te bevatten. De aangevoerde schending van artikel 149 van de Grondwet is ongegrond. 17. In zoverre het middel ontvankelijk is, is het ongegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep. 2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 26 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. 3. Het teveel betaalde rolrecht van 150 euro wordt terugbetaald aan de tussenkomende partij. VII-42.916-12/13 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vijfentwintig juni tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Francis Van Nuffel, staatsraad, Frédéric Vanneste, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-42.916-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.267.246