ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.267.244 — ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.267.244 — Conseil d'État
Zusammenfassung (Sachverhalt & Erwägungen)
KI-strukturiertRAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 267.244 van 25 juni 2026 in de zaak A. 244.186/VII-42.803 In zake : de VZW BESCHERM BOMEN EN NATUUR bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marleen Ryelandt kantoor houdend te 8200 Brugge Gistelsesteenweg 472 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de PROVINCIE WEST-VLAANDEREN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steve Ronse en Elliott Miss...
Leitsatz / Regeste
KI-strukturiertVolltext des Entscheids — ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.267.244
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 267.244 van 25 juni 2026 in de zaak A. 244.186/VII-42.803 In zake : de VZW BESCHERM BOMEN EN NATUUR bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marleen Ryelandt kantoor houdend te 8200 Brugge Gistelsesteenweg 472 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de PROVINCIE WEST-VLAANDEREN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steve Ronse en Elliott Missault kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de BV LIV+ bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Pieter-Jan Defoort en Saartje Spriet kantoor houdend te 8020 Oostkamp Hertsbergsestraat 4 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het cassatieberoep, ingesteld op 13 februari 2025, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2425-0340 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 9 januari 2025 in de zaak 2324-RvVb-0316-A. VII-42.803-1/12 II. Verloop van de rechtspleging 2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 28 maart 2025. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De bv LIV+ heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 15 mei 2025. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Tom De Waele heeft op 14 november 2025 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie- procedure bij de Raad van State’. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 juni 2026. Staatsraad Francis Van Nuffel heeft verslag uitgebracht. Advocaat Elliott Missault, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Saartje Spriet, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Tom De Waele heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. VII-42.803-2/12 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). III. Feiten 3.1. De tussenkomende partij vraagt een omgevingsvergunning voor het bouwen van een meergezinswoning met ondergrondse parkeerkelder en omgevingsaanleg, na het slopen van de bestaande bebouwing op het bouwperceel. Zij voegt bij de aanvraag een project-m.e.r.-screeningsnota. 3.2. Het college van burgemeester en schepenen van de stad Brugge verleent de gevraagde omgevingsvergunning. Tegen die beslissing tekent de verzoekende partij bestuurlijk beroep aan. 3.3. De tussenkomende partij voegt aan haar aanvraagdossier een bemalingsstudie toe. 3.4. Bij beslissing van 26 oktober 2023 verklaart de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen het bestuurlijk beroep ongegrond, en verleent zij de omgevingsvergunning. 3.5. Met het bestreden arrest verwerpt de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) het beroep van de verzoekende partij tot vernietiging van de deputatiebeslissing van 26 oktober 2023. VII-42.803-3/12 IV. Onderzoek van de middelen tot nietigverklaring A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 4. De verzoekende partij voert de schending aan van artikel 4.3.2 van het decreet van 5 april 1995 ‘houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid’ (hierna: DABM), van artikel 4.3.2, § 2bis, DABM, van artikel 2, § 6 en § 7, en bijlage III van het besluit van de Vlaamse regering van 10 december 2004 ‘houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage’ (hierna: project-MER-besluit), van artikel 7, § 2, van het decreet van 25 april 2014 ‘betreffende de omgevingsvergunning’ (hierna: omgevingsvergunningsdecreet), en van artikel 149 van de Grondwet. 5. Zij komt op tegen de verwerping door de RvVb van het eerste middel dat zij heeft opgeworpen tot vernietiging van de deputatiebeslissing van 26 oktober 2023, en viseert de volgende motieven van het bestreden arrest: “De verzoekende partij betwist niet dat lopende de administratieve beroepsprocedure door de aanvrager een bemalingsstudie aan het dossier werd gevoegd, waarin de specifieke uitvoeringswijze en invloedstraal van de bemaling wordt geduid, alsook wordt verduidelijkt waarom de bemaling voldoet aan de voorwaarden die werden opgelegd door het Agentschap voor Natuur en Bos. De verzoekende partij stelt enkel dat deze bemalingsstudie slechts lopende het administratief beroep bij het dossier werd gevoegd, en niet aanwezig was in het initieel aanvraagdossier zoals ingediend en beoordeeld in eerste administratieve aanleg. De screeningsnota was daarom ontoereikend en kan volgens haar niet geremedieerd worden lopende de procedure. Artikel 7, §2 van het Omgevingsvergunningsdecreet laat toe om een bemaling in een afzonderlijke omgevingsvergunningsaanvraag te doen, op voorwaarde dat de effecten over een toekomstige bemaling al bij de project- mer-screening van het totaalproject worden beoordeeld. De verzoekende partij betwist dit niet. Haar middel is louter opgebouwd vanuit de redenering dat door het gebrek aan toevoeging van een bemalingsstudie, de effecten van de bronbemaling niet afdoende onderzocht werden of konden onderzocht worden. In de bestreden beslissing komt de verwerende partij tot de conclusie dat ‘de ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.267.244 VII-42.803-4/12 bemaling geen impact genereert in het nabijgelegen VEN-gebied en dat er geen impact inzake zettingen zal zijn op het nabijgelegen beschermd domein Engelendale. Bijkomend wordt opgemerkt dat het kan overwogen worden om een deel van het opgepompte water te infiltreren in de groenzones rond het erfgoed, wat bijkomende reducties zal opleveren zowel qua zettingen als qua invloed richting VEN. Deze nota bevestigt dat de vraag in de project- m.e.r.-screeningsnota of er effecten zullen zijn op de bodem/biodiversiteit in de onmiddellijke omgeving terecht met nee wordt beantwoord.’ De verzoekende partij betwist deze laatste conclusie maar levert geen inhoudelijke kritiek op de bemalingsnota, noch geeft ze aan welke mogelijke effecten dan wel niet zouden zijn onderzocht. Het is ook tevergeefs zoeken waarom de verzoekende partij meent dat de toegevoegde studie geen bevestiging zou zijn van wat reeds in de initiële screeningsnota werd vermeld, namelijk geen effecten op biodiversiteit en bodem en geen aanzienlijke effecten op het watersysteem. Met andere woorden, de verzoekende partij levert op geen enkel ogenblik enige inhoudelijke kritiek op de motieven van de bestreden beslissing. Evenmin maakt ze aannemelijk dat de bemalingsstudie meer is dan een aanvulling van het dossier, waarbij de [RvVb] opmerkt dat niet elke aanvulling van een screeningsnota op zich leidt tot de conclusie dat er sprake is van een danig gebrekkige screening die gelijkgesteld moet worden met de afwezigheid ervan en ipso facto leidt tot de onvolledigheid van het dossier. Het louter poneren dat het aanvullen of toevoegen van een bemalingsstudie in graad van beroep voldoende is om vast te stellen dat de effecten niet allemaal voldoende of afdoende werden beoordeeld, volstaat niet. De [RvVb] kan niet anders dan vaststellen dat de verzoekende partij niet voldoet aan haar stelplicht.” 6. De verzoekende partij herneemt de uiteenzetting die zij voor de RvVb heeft laten gelden, en leidt hieruit af dat zij duidelijk heeft gesteld dat het niet ging om een aanvulling van de screeningsnota, maar om een volledig nieuwe bemalingsnota, aangezien in de m.e.r.-screeningsnota op het inzageloket enkel werd gesteld dat er geen effecten zijn op de biodiversiteit, de bodem en het watersysteem. In die zin kan er volgens de verzoekende partij geen sprake zijn van een aanvulling van de m.e.r.-screening. Het toevoegen in graad van bestuurlijk beroep van een bemalingsnota, die zelfs niet werd vermeld in de m.e.r.-screening, maakt volgens de verzoekende partij een niet toegelaten aanvulling uit van de m.e.r.-screening. VII-42.803-5/12 De verzoekende partij zet vervolgens in het verzoekschrift tot cassatie letterlijk uiteen: “De motivering van de RvVb door te stellen dat ‘niet elke aanvulling van een screeningsnota op zich leidt tot de conclusie dat er sprake is van een danig gebrekkige screening die gelijkgesteld moet worden met de afwezigheid ervan en ipso facto leidt tot de onvolledigheid van het dossier. Een MER screening, die in eerste bestuurlijke aanleg totaal ontoereikend is, kan in bestuurlijke beroep niet worden rechtgezet. De motivering van de RvVb is in rechte en in feite onjuist en gaat derhalve in tegen artikel 149 van de Grondwet, dat er in casu sprake is van aan aanvulling van de MER screening. Er was in eerste bestuurlijke aanleg gewoonweg geen bemalingsnota aan het aanvraagdossier toegevoegd, dus kan er ook geen sprake zijn van een aanvulling. Met haar motivering gaat de RvVb in tegen de rechtspraak van Uw Raad hiervoor vernoemd. De MER screeningsnota was en is onvolledig, en kon niet worden ‘aangevuld’ in beroep, gewoonweg omdat er van een aanvulling geen sprake is. Verzoekster dient erop te wijzen dat een aanvulling of toevoeging van een studie of document in beroep enkel toegelaten is sinds het Stikstofdecreet, daterende van 23 februari 2024, dat van toepassing is op de lopende vergunningsprocedures, dit terwijl er ene beslissing van de deputatie van de provincie West-Vlaanderen is tussengekomen op 26 oktober 2023, dus voor de inwerkingtreding van het Stikstofdecreet. Door de toevoeging van de bemalingsstudie in beroep na het verslag van de POA, kon deze ook niet meer geadviseerd worden door de POA en ook niet door ANB. De bemalingsstudie kon ook niet meer beoordeeld worden door de deputatie van de Provincie West-Vlaanderen, aangezien het aanvraagdossier als onontvankelijke n onvolledig in eerste bestuurlijke aanleg had dienen beoordeeld te worden en derhalve de Deputatie geen bevoegdheid had om de bemalingsstudie te beoordelen. , § In die zin is er sprake van een schending van art.7, §2 OVD en is er zelfs sprake van een bevoegdheidsoverschrijding in hoofde van de Deputatie van de provincie West-Vlaanderen. Het 8middel komt derhalve gegrond voor.” 7. In de memorie van wederantwoord vult de verzoekende partij de eerste twee alinea’s van deze uiteenzetting als volgt aan: “De motivering van de RvVb door te stellen dat ‘niet elke aanvulling van een screeningsnota op zich leidt tot de conclusie dat er sprake is van een danig gebrekkige screening die gelijkgesteld moet worden met de afwezigheid ervan en ipso facto leidt tot de onvolledigheid van het dossier, is feitelijk en ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.267.244 VII-42.803-6/12 juridisch onjuist. Evenwel gaat het niet alleen over een totaal verkeerde motivering, die dient gelijk te stellen met het ontbreken van een motivering, maar gaat de beoordeling van de RVVb ook flagrant in tegen de bepalingen van artikel 13, 19, 20 en 21 van het DABM en artikel 4.3.3, §2 van het DABM. Een MER screening, die in eerste bestuurlijke aanleg totaal ontoereikend is, kan in bestuurlijke beroep niet worden rechtgezet. Het gaat hier niet om een ‘aanvulling’ op de screeningsnota, maar het fundamenteel ontbreken in eerste bestuurlijke aanleg van een bemalingsnota, die van essentieel belang is om de effecten op de omgeving, de biodiversiteit, de natuurwaarden en het VEN in te schatten. De motivering van de RvVb is ook in rechte en in feite onjuist en gaat derhalve in tegen artikel 149 van de Grondwet, dat er in casu sprake is van aan aanvulling van de MER screening. Er was in eerste bestuurlijke aanleg gewoonweg geen bemalingsnota aan het aanvraagdossier toegevoegd, dus kan er ook geen sprake zijn van een aanvulling. Deze motivering dient gelijk te worden gesteld met een ontbreken van motivering.” Beoordeling 8. De verzoekende partij vraagt de Raad van State in wezen om de wettigheidskritiek die zij heeft aangevoerd voor de RvVb opnieuw te onderzoeken. Als cassatierechter kan de Raad van State echter niet in de beoordeling van de zaak zelf treden (artikel 14, § 2, RvS-wet). De verzoekende partij gaat bovendien eraan voorbij dat het bestreden arrest haar wettigheidskritiek heeft verworpen omdat zij niet voldeed aan de stelplicht, op grond van de vaststellingen dat zij geen inhoudelijke kritiek levert op de motieven van de bestreden vergunningsbeslissing, niet aannemelijk maakt dat de bemalingsstudie meer is dan een aanvulling van het dossier, en louter poneert dat het aanvullen of toevoegen van een bemalingsstudie in graad van beroep voldoende is om vast te stellen dat de milieueffecten niet allemaal voldoende of afdoende werden beoordeeld. Op deze motieven wordt geen voldoende duidelijke kritiek uitgebracht in het cassatiemiddel. In zoverre de verzoekende partij in het middel het motief viseert dat “niet elke aanvulling van een screeningsnota op zich leidt tot de conclusie dat er sprake is van een danig gebrekkige screening die gelijkgesteld moet worden met de afwezigheid ervan en ipso facto leidt tot de onvolledigheid van het dossier”, VII-42.803-7/12 maakt zij in het verzoekschrift tot cassatie niet op voldoende nauwkeurige wijze duidelijk welke als geschonden opgegeven bepaling op welke wijze zou worden geschonden. Haar uiteenzetting laat de Raad van State niet toe om zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen. De uiteenzetting in de memorie van wederantwoord kan hieraan niet verhelpen. In zoverre pas in de memorie van wederantwoord wordt aangevoerd dat dit motief zou ingaan tegen artikel 4.3.3, § 2, DABM en de artikelen 13, 19, 20 en 21 DABM (lees: omgevingsvergunningsdecreet), werpt de verzoekende partij deze schendingen overigens niet enkel laattijdig op maar sticht zij bovendien verwarring omdat hier geen sprake meer is van de oorspronkelijk als geschonden opgegeven artikelen 4.3.2 en 4.3.2, § 2bis, DABM, artikel 2, § 6 en § 7, en bijlage III van het project-MER-besluit, en artikel 7, § 2, van het omgevingsvergunningsdecreet. Het middel is in zoverre niet ontvankelijk. 9. De in artikel 149 van de Grondwet ingeschreven rechterlijke motiveringsverplichting heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak voldoet aan deze motiveringsplicht wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet - al waren ze verkeerd of onwettig - die hem ertoe brengen zijn beslissing te nemen. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van artikel 149 van de Grondwet. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. De verzoekende partij leidt de schending van artikel 149 van de Grondwet af uit de omstandigheid dat de motivering van het bestreden arrest “in rechte en in feite onjuist” is en ingaat tegen rechtspraak van de Raad van State. Zij gaat aldus uit van een verkeerd begrip van de rechterlijke motiveringsplicht, zodat VII-42.803-8/12 de aangevoerde schending van artikel 149 van de Grondwet niet wordt aangenomen. In zoverre de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord nog aanvoert dat de motieven van het bestreden arrest dienen te worden gelijkgesteld met het ontbreken van een motivering, is haar kritiek laattijdig. 10. In zoverre het middel ontvankelijk is, is het ongegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 11. De verzoekende partij voert de schending aan van artikel 149 van de Grondwet, gelezen in samenhang met de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, van artikel 15.4.6.1 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 ‘betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen’ (hierna: inrichtingsbesluit), en van artikel 1.1.2, § 1, 8°, DABM. 12. Zij komt op tegen de verwerping door de RvVb van het derde middel dat zij heeft opgeworpen tot vernietiging van de deputatiebeslissing van 26 oktober 2023, en viseert de volgende motieven van het bestreden arrest: “Uit het administratief dossier blijkt dat aangevraagde (en vergunde bebouwing) niet gelegen is in landschappelijk waardevol agrarisch gebied (LWAG) maar wel in woongebied. De esthetische toets is dus niet van toepassing voor de beoordeling van de aanvraag gelegen in woongebied. Het gegeven dat een deel van de site, dat niet wordt bebouwd, gelegen is in LWAG maakt niet dat de voorschriften die daar gelden ook op een andere aangrenzende bestemmingszone (woongebied) moeten toegepast worden. De verzoekende partij maakt niet inzichtelijk waarom dit wel het geval zou zijn en gaat dus klaarblijkelijk uit van een verkeerde aanname.” VII-42.803-9/12 13. Volgens de verzoekende partij is deze motivering in feite en in rechte onjuist, en schendt zij derhalve artikel 149 van de Grondwet, artikel 15.4.6.1 van het inrichtingsbesluit en artikel 1.1.2, § 1, DABM. Het projectgebied moet volgens haar immers als één geheel worden beschouwd, ook al wordt een deel van de projectsite niet bebouwd. Volgens de verzoekende partij zal er wel degelijk een belangrijke visuele impact uitgaan van het project, waardoor niet voldaan wordt aan de esthetische toets van het landschappelijk waardevol agrarisch gebied. De verzoekende partij voert aan dat voor de beoordeling van de aanvraag rekening dient te worden gehouden met de volledige site, en dient de aanvraag derhalve afgetoetst te worden zowel aan de voorschriften van het woongebied als aan de voorschriften van het landschappelijk waardevol agrarisch gebied, waartoe de esthetische toets hoort. De motivering zou ook tegenstrijdig zijn: enerzijds stelt de RvVb dat een deel van de site gelegen is in landschappelijk waardevol agrarisch gebied en niet bebouwd is, en anderzijds stelt de RvVb dat het aangevraagde, de vergunde bebouwing, niet gelegen is in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Beoordeling 14. De verzoekende partij maakt niet duidelijk hoe het bestreden arrest artikel 1.1.2, § 1, 8°, DABM zou hebben miskend. Zij heeft overigens voor de RvVb niet aangevoerd dat het vergunningsbesluit die bepaling schendt, zodat zij die grief ook niet voor het eerst in graad van cassatie kan opwerpen. Evenmin maakt de verzoekende partij duidelijk hoe het bestreden arrest de bepalingen van de motiveringswet, die zouden moeten worden gelezen in samenhang met artikel 149 van de Grondwet, heeft geschonden. Het middel is in zoverre niet ontvankelijk. 15. Op grond van artikel 15.4.6.1 van het inrichtingsbesluit kunnen ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.267.244 VII-42.803-10/12 in de landschappelijke waardevolle gebieden handelingen en werken worden uitgevoerd voor zover zij de schoonheidswaarde van het landschap niet in gevaar brengen. De toets aan de schoonheidswaarde van het landschap (door het bestreden arrest ‘esthetische toets’ genoemd) dient slechts te gebeuren voor de in de vergunningsaanvraag beschreven handelingen en werken die in het landschappelijk waardevol gebied worden voorzien. Het bestreden arrest stelt vast dat de aangevraagde en vergunde bebouwing niet gelegen is in het landschappelijk waardevol agrarisch gebied maar in woongebied, en dat een deel van “de site”, dat niet wordt bebouwd, wel is gelegen in het landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Met het oordeel dat de aanvraag niet moet worden onderworpen aan de ‘esthetische toets’, miskent de RvVb niet de draagwijdte van artikel 15.4.6.1 van het inrichtingsbesluit. 16. In zoverre de verzoekende partij de schending van artikel 149 van de Grondwet afleidt uit de omstandigheid dat de motivering van het bestreden arrest “in rechte en in feite onjuist is” gaat zij uit van een verkeerd begrip van de rechterlijke motiveringsplicht. Het is niet tegenstrijdig enerzijds te stellen dat een onbebouwd deel van de site gelegen is in landschappelijk waardevol agrarisch gebied, en anderzijds te stellen dat het aangevraagde, de vergunde bebouwing, niet gelegen is in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. De aangevoerde schending van artikel 149 van de Grondwet wordt niet aangenomen. 17. In zoverre het middel ontvankelijk is, is het ongegrond. VII-42.803-11/12 BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vijfentwintig juni tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Francis Van Nuffel, staatsraad, Frédéric Vanneste, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-42.803-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.267.244