Legislator Rechtsdatenbank & Rechtsprechung
ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.267.207 ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.267.207 KI-strukturiert

ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.267.207 — ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.267.207 — Conseil d'État

Geschäftsnummer ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.267.207
Gericht / Behörde
Entscheiddatum
Rechtsordnung Belgien — Rechtsprechung (BE)

Zusammenfassung (Sachverhalt & Erwägungen)

KI-strukturiert

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 267.207 van 24 juni 2026 in de zaak A. 248.003/IX-10.950 In zake: A.S. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Carlos Teurelincx kantoor houdend te 2170 Merksem Bredabaan 808 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BRANDWEER ZONE ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Gitte Laenen en Charlotte Mestdagh kantoor hou...

Leitsatz / Regeste

KI-strukturiert
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 267.207 van 24 juni 2026 in de zaak A. 248.003/IX-10.950 In zake: A.S. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Carlos Teurelincx kantoor houdend te 2170 Merksem Bredabaan 808 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BRANDWEER ZONE ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Gitte Laenen en Charlotte Mestdagh kantoor hou...

Fragen Sie sich, wie dieser Entscheid auf Ihren Fall anwendbar ist?

Prüfen Sie diesen Entscheid zusammen mit Bundesrecht, kantonalen Erlassen, Kommentaren und Folgeentscheiden in Legislator AI.

Fall in Legislator öffnen →

Volltext des Entscheids — ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.267.207

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 267.207 van 24 juni 2026 in de zaak A. 248.003/IX-10.950 In zake: A.S. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Carlos Teurelincx kantoor houdend te 2170 Merksem Bredabaan 808 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BRANDWEER ZONE ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Gitte Laenen en Charlotte Mestdagh kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 15 april 2026, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de zoneraad van de Brandweer Zone Antwerpen van 24 februari 2026 waarbij het evaluatieresultaat ‘onvoldoende’ van verzoeker wordt bevestigd. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij beschikking van 5 mei 2026 werd de procedurekalender vastgesteld. De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen en een administratief dossier ingediend. IX-10.950-1/17 Eerste auditeur Iris Verheven heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 juni 2026. Staatsraad Jim Deridder heeft verslag uitgebracht. Advocaat Jo Rams, die loco advocaat Carlos Teurelincx verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Charlotte Mestdagh, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoeker is sinds 1 oktober 1999 in dienst bij Brandweer Zone Antwerpen (voorheen Brandweer Antwerpen). In 2005 is hij bevorderd tot korporaal. 3.2. Op 7 januari 2023 wordt aan verzoeker bij zijn evaluatie de beoordeling ‘onvoldoende’ toegekend. 3.3. Op 1 april 2023 wordt verzoeker arbeidsongeschikt. 3.4. Op 27 juni 2023 beslist het zonecollege, op advies van de arbeidsarts, tot wedertewerkstelling van verzoeker om medische redenen na afwezigheid wegens ziekte. Verzoeker wordt met ingang van 12 juni 2023 ingezet in lichte operationele taken, in eerste instantie enkel in dagdienst, aan 50% van het normale werkregime. IX-10.950-2/17 Ten gevolge van deze wedertewerkstelling wordt verzoeker gedetacheerd naar ‘1TSG’ (Technische Steun Groep) op Post Noord. 3.5. Op 4 januari 2024 wordt verzoeker opnieuw geëvalueerd. Het resultaat ‘te verbeteren’ wordt hem toegekend. Tijdens de daaropvolgende evaluatieperiode is verzoeker meer dan de helft van de minimale evaluatieperiode afwezig wegens ziekte. Om die reden wordt op 4 januari 2025 het evaluatieresultaat ‘te verbeteren’ behouden. 3.6. Op 8 januari 2025 vindt een functiegesprek plaats tussen verzoeker en zijn evaluator. 3.7. Op 20 mei 2025 wordt verzoeker medisch onderzocht door de arbeidsarts, die aangeeft dat verzoeker het werk volledig mag hervatten. Gelet hierop bekrachtigt het zonecollege op 10 juni 2025 de beëindiging van de wedertewerkstelling om medische redenen in lichte operationele taken van verzoeker met ingang van 20 mei 2025. Eveneens op 10 juni 2025 bekrachtigt het zonecollege dat verzoeker vanaf 20 mei 2025 tijdelijk wordt ingezet in een regime van wedertewerkstelling om andere redenen in lichte operationele taken, omdat hij bijna twee jaar niet operationeel inzetbaar was omwille van een wedertewerkstelling om medische redenen en er in tussentijd een aantal nieuwe procedures zijn uitgewerkt en nieuwe technieken zijn geïmplementeerd, waardoor verzoeker niet meer over de vereiste vaktechnische competenties beschikt. 3.8. Op 4 juli 2025 vindt een tussentijds opvolgingsgesprek plaats tussen verzoeker en zijn evaluator. 3.9. Op 12 november 2025 vindt een evaluatiegesprek plaats. Daarbij wordt aan verzoeker de beoordeling ‘onvoldoende’ toegekend. IX-10.950-3/17 3.10. Tegen die beslissing tekent verzoeker op 24 november 2025 beroep aan. Nadat de hoorzitting op vraag van verzoeker wordt uitgesteld, wordt verzoeker, bijgestaan door zijn raadsman, op 6 januari 2026 gehoord door de evaluatiecommissie. Van de hoorzitting wordt een proces-verbaal opgemaakt. De evaluatiecommissie adviseert unaniem het evaluatieresultaat ‘onvoldoende’ te bevestigen. 3.11. Op 27 januari 2026 beslist het zonecollege, rekening houdend met het advies van de evaluatiecommissie, om het dossier te bezorgen aan de zoneraad ter bevestiging van het evaluatieresultaat ‘onvoldoende’. 3.12. Op 24 februari 2026 bevestigt de zoneraad, op grond van het advies van de evaluatiecommissie, het aan verzoeker op 12 november 2025 toegekende evaluatieresultaat ‘onvoldoende’. Overwogen wordt onder meer: “Het evaluatieresultaat van 12 november 2025 is omstandig en duidelijk gemotiveerd en het verslag bevat uitvoerige motiveringen betreffende de competenties en scores. Het beschrijft tevens objectieve feiten die niet voor interpretatie vatbaar zijn. Zo wist [verzoeker] dat het slagen voor de sportproeven een absolute vereiste was, wat hij niet heeft gedaan. Zijn collega’s en leidinggevenden hebben hem net veel ondersteuning gegeven om hem terug op het juiste spoor te krijgen, wat betrokkene niet lijkt te willen erkennen. De evaluatiecommissie meende na het horen van [verzoeker] dat hij onvoldoende heeft aangetoond dat de evaluatie niet correct zou zijn. Zijn argumentatie en verklaringen waren onvoldoende onderbouwd om iets te herinterpreteren, noch op bepaalde individuele competenties, noch de globale evaluatie. Bovendien stelde de evaluatiecommissie vast dat tijdens de hoorzitting eveneens onwaarheden zijn verteld die door meerdere betrokken collega’s werden tegengesproken. [Verzoeker] gaf aan niet te begrijpen waarom zijn evaluatie onvoldoende was. Met zijn summier verweer probeerde hij vooral de incidenten die in de evaluatie worden beschreven, goed te praten of te veranderen. De evaluatiecommissie gaf aan dat betrokkene niet lijkt te kunnen erkennen dat ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.267.207 IX-10.950-4/17 hij niet voldeed aan de gevraagde competenties, maar excuses zoekt en de verantwoordelijkheid of schuld bij anderen legt. Gelet op het advies van de evaluatiecommissie in het verslag van de hoorzitting van 6 januari 2026 is het dan ook aangewezen om het evaluatieresultaat ‘onvoldoende’ van [verzoeker] te bevestigen.” Dat is de bestreden beslissing. 3.13. Bij besluit van 3 maart 2026 spreekt het zonecollege het ambtshalve ontslag van verzoeker uit, op grond van twee evaluaties ‘onvoldoende’ binnen een termijn van drie jaar. Het beroep dat door verzoeker tegen die beslissing wordt ingesteld, wordt door de beroepskamer op 28 mei 2026 verworpen. IV. Schorsingsvoorwaarden 4. Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan worden verantwoord. V. Ernst van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 5. In een eerste middel beroept verzoeker zich op een schending van “de algemene motiveringsvereiste” en de formelemotiveringsplicht “zoals deze is geregeld in de artikelen 1 tot 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en artikel 13 van het decreet IX-10.950-5/17 van 23 oktober 1991 betreffende de openbaarheid van bestuursdocumenten in de diensten en instellingen van de Vlaamse regering”. Verzoeker betoogt: “Wat de beoordeling inzake de inhoudelijke evaluatie betreft, wordt beslist dat het evaluatieresultaat van 12.11.20 25 objectieve feiten [lees: het evaluatieresultaat van 12.11.25 objectieve feiten] beschrijft die niet voor interpretatie vatbaar zijn. Over welke objectieve feiten dit zou gaan, wordt niet gestipuleerd. Verder wordt de onvoldoende weerlegging van de evaluatie door [verzoeker] gehekeld. Zijn argumentatie en verklaringen zouden onvoldoende onderbouwd zijn geweest om iets te herinterpreteren. Bovendien meende de evaluatiecommissie te kunnen vaststellen dat [verzoeker] tijdens de hoorzitting onwaarheden zou hebben verteld die door meerdere betrokken collega’s zouden zijn tegengesproken. De zoneraad geeft niet aan over welke onwaarheden dit dan zou gaan, noch worden verklaringen van collega’s waarin deze de zogenaamde onwaarheden zouden hebben betwist voorgelegd. Het een en ander is, onder meer in het kader van de motiveringsplicht, essentieel.” Beoordeling 6. Voor zover verzoeker in het eerste middel steun zoekt in het decreet van 23 oktober 1991 ‘betreffende de openbaarheid van bestuursdocumenten in de diensten en instellingen van de Vlaamse Regering’, moet erop worden gewezen dat dit decreet werd opgeheven door artikel 27 van het decreet van 18 mei 1999 ‘betreffende de openbaarheid van bestuur’, decreet dat op zijn beurt is opgeheven door artikel 38, 1°, van het decreet van 26 maart 2004 ‘betreffende de openbaarheid van bestuur’. Dit laatste decreet is vervolgens opgeheven door artikel IV.273, 4°, van het bestuursdecreet van 7 december 2018. In dat opzicht is het middel alleszins niet ernstig. 7. De artikelen 165 en 167 van het koninklijk besluit van 19 april 2014 ‘tot bepaling van het administratief statuut van het operationeel personeel van de hulpverleningszones’ (“het statuut”) bepalen, wat de beroepsprocedure inzake een evaluatiebeslissing betreft, het volgende: IX-10.950-6/17 “Artikel 165 Het personeelslid kan binnen een termijn van tien werkdagen, vanaf de betekening van het evaluatieverslag, beroep indienen per aangetekend schrijven of via elke andere drager met bewijskracht en vaste datum bij de evaluatiecommissie. Dit beroep heeft opschortende werking. […] Artikel 167 De commissie geeft een gemotiveerd advies binnen de twee maanden volgend op het indienen van het beroep. Binnen de twee maanden na ontvangst van het advies bevestigt de raad, op basis van dit advies, de evaluatie van de functionele meerdere of kent zij een van de andere vermeldingen vermeld in artikel 163 toe. De beslissing van de raad die afwijkt van het advies van de commissie moet met bijzondere redenen worden omkleed. Wanneer de commissie geen advies gegeven heeft binnen de termijn vermeld in het eerste lid, beslist de raad binnen de twee maanden volgend op het verstrijken van deze termijn. De commandant neemt niet deel aan de beraadslagingen van de raad wanneer deze ertoe gebracht wordt om dergelijke uitspraak te doen.” Hieruit volgt, wat de formelemotiveringsplicht betreft, op het eerste gezicht dat de beslissing van de zoneraad enkel met bijzondere redenen moet worden omkleed wanneer de raad afwijkt van het advies van de evaluatiecommissie en dus niet wanneer de zoneraad het advies van die commissie bijvalt. 8. In casu luidt artikel 1 van de bestreden beslissing: “De zoneraad bevestigt de evaluatie, zoals opgesteld door de functionele meerdere van [verzoeker], namelijk het evaluatieresultaat ‘onvoldoende’ dd. 12 november 2025, op basis van voormelde argumentatie en het unaniem advies van de evaluatiecommissie.” Bijgevolg diende de zoneraad in de bestreden beslissing, zo lijkt, geen eigen ‘bijzondere redenen’ op te geven bij het handhaven van het evaluatieresultaat ‘onvoldoende’ en kon hij, overeenkomstig de hiervóór aangehaalde bepalingen, op het eerste gezicht volstaan met een verwijzing naar en het bijvallen van het advies van de evaluatiecommissie. In dat opzicht is het middel niet ernstig. IX-10.950-7/17 9.1. Voorts kan worden vastgesteld dat verzoeker kennis heeft kunnen nemen van het evaluatieresultaat en van het advies van de evaluatiecommissie, aangezien hij deze stukken opneemt in zijn stukkenbundel. In het evaluatieverslag is te lezen: “[Verzoeker] voldoet niet aan het competentieprofiel en de algemene verwachtingen die gelden voor zijn graad (korporaal) en zelfs niet voor een brandweerman. De belangrijkste redenen voor de onvoldoende evaluatie van [verzoeker] zijn de volgende: 1. structurele tekortkomingen in operationele inzetbaarheid en planning * vertraging in het traject naar operationele inzetbaarheid * niet tijdig afleggen van sportproeven * gebrek aan autonomie en initiatief * afschuiven van verantwoordelijkheid * creëren van extra werklast voor leidinggevenden en collega’s 2. onvoldoende technische en vaktechnische bekwaamheid * resulteert in beperkte inzetbaarheid * kennisverlies * onvolledige opleidingen * gebrek aan verdieping 3. onaangepast gedrag * negatieve uitingen en gebrek aan loyaliteit * schending van integriteit/vertrouwen * gebrek aan discipline/hulpvaardigheid * ongepaste reacties. Ondanks herhaalde begeleiding en duidelijke afspraken, toont [verzoeker] onvoldoende initiatief, verantwoordelijkheidszin en leerbereidheid (leren en reflecteren). Zijn administratieve en technische vaardigheden blijven onder het verwachte niveau, waardoor hij beperkt inzetbaar is. Daarnaast wordt een gebrek aan betrokkenheid, discipline en respect voor de normen en waarden van de organisatie vastgesteld. Ook op het vlak van communicatie, integriteit en stressbestendigheid voldoet zijn gedrag niet aan de vereisten die aan een korporaal worden gesteld. De vastgestelde tekorten zijn structureel en herhaald, zonder merkbare vooruitgang. Ze werden in eerdere opvolgings- en evaluatiegesprekken al aangehaald en resulteerden in meerdere negatieve evaluatieresultaten: 4/1/2022: evaluatieresultaat te verbeteren 7/1/2023: evaluatieresultaat onvoldoende 4/1/2024: evaluatieresultaat te verbeteren 4/1/2025: geen formele evaluatie wegens langdurige afwezigheid - behoud resultaat vorige evaluatie ‘te verbeteren’ Volgens de Ministeriële omzendbrief van 24 november 2016 kan de conclusie van de hele evaluatie enkel ‘te verbeteren’ of ‘onvoldoende’ zijn IX-10.950-8/17 wanneer er een negatieve score wordt behaald op een onderdeel van het evaluatiepunt ‘Vaktechnische competenties’. Volgens de zonale afspraken rond de fysieke paraatheid dient iedere medewerker zijn sportproeven binnen de vooropgestelde termijn (1 april tot 1 oktober) af te werken. In 2025 heeft hij de sportproeven nog niet afgelegd. Hij heeft hiervoor geen geldige reden. Bijgevolg kan de globale evaluatie enkel als onvoldoende worden beschouwd.” 9.2. In haar advies benoemt en weerlegt de evaluatiecommissie zes beweringen van verzoeker. Het betreft onder meer de stellingen dat tijdens functie- en opvolgingsgesprekken nooit is uitgelegd wat van verzoeker werd verwacht (weerlegging: tijdens zowel het functie- als het opvolgingsgesprek werden alle afspraken besproken en gedocumenteerd, op ‘Post Centrum’ verloopt de evaluatie op exact dezelfde manier en elke onderofficier heeft dezelfde cursus gevolgd en gebruikt hetzelfde registratieprogramma), dat verzoeker alle testen met gunstig resultaat heeft afgelegd (weerlegging: de sportproef is slechts één van de drie vereisten in het traject naar operationele inzetbaarheid), dat verzoeker slechts drie keer korporaal van de dag is geweest (weerlegging: precies omdat verzoeker dit niet kon en ook geen initiatief nam om dit van zijn collega’s te leren), dat verzoeker meende als korporaal niet te moeten deelnemen aan karweien (weerlegging: elke werknemer van de brandweerzone wordt geacht zijn taken uit te voeren tijdens de diensttijd) en dat het pas slecht is beginnen te gaan na de detachering naar Post Noord (weerlegging: het ging reeds geruime tijd vóór de detachering slecht, er werd jaren geleden al een daling in de prestaties gemerkt). Anders dan verzoeker stelt, lijkt de bestreden beslissing, overeenkomstig artikel 167 van het statuut gelezen in samenhang met het advies van de evaluatiecommissie, wel aan te geven waarom het evaluatieresultaat behouden wordt en welke door verzoeker aangehaalde argumenten als onjuist worden beschouwd. Daarbij kan nog worden aangestipt dat verzoeker prima facie deze beoordeling door de evaluatiecommissie inhoudelijk niet weerspreekt. IX-10.950-9/17 10. Wat de schending van de materiële- en de formelemotiveringsplicht betreft, is het middel niet ernstig. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 11. In een tweede middel voert verzoeker een schending aan van “het beginsel der tegensprekelijkheid” en van de rechten van verdediging. Verzoeker betoogt dat de zoneraad niet aangeeft welke van zijn verklaringen ten overstaan van de evaluatiecommissie werden tegengesproken en dat ook geen verklaringen van collega’s in die zin voorliggen. Beoordeling 12. Het recht van verdediging, waarvan het recht op tegenspraak een onderdeel is, vindt, behoudens andersluidend voorschrift, alleen toepassing in strafzaken en tuchtzaken. De bestreden beslissing heeft betrekking op een evaluatie. In dat opzicht is het middel niet ernstig. 13. Verzoeker kan wel aanspraak erop maken dat de hoorplicht wordt geëerbiedigd. Ter zake moet op het eerste gezicht worden vastgesteld dat verzoeker werd gehoord en dat hij zijn standpunt kenbaar heeft kunnen maken. In die zin is het middel evenmin ernstig. 14. Wat de beoordeling door de evaluatiecommissie betreft, kan tot slot worden verwezen naar wat is overwogen bij de beoordeling van het eerste middel. IX-10.950-10/17 15. Het tweede middel is in zijn geheel niet ernstig. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel 16. Verzoeker steunt een derde middel op een schending van het gelijkheidsbeginsel. Verzoeker zet dit middel uiteen als volgt: “Het gelijkheidsbeginsel werd verder geschonden, temeer gezien er geen vaste criteria voorliggen die worden gehanteerd door verwerende partij teneinde tot een beslissing te komen. Uit geen enkel element blijkt bovendien dat voor andere personeelsleden dezelfde criteria werden gehanteerd. Voor zover dit alles het geval zou zijn geweest, kan door verzoeker niet worden getoetst of dit van aard was om te primeren boven de positieve beoordelingspunten die toch in hoofde van verzoeker werden weerhouden. Het gelijkheidsbeginsel is dan ook geschonden op grond van de gebrekkige motivering van de beslissing. Er is dan ook niet enkel sprake van schending van de formele motiveringsplicht (cfr. infra) [lees: supra], doch eveneens [van] een schending van de materiële motiveringsplicht. Het advies van de evaluatiecommissie was gebrekkig gemotiveerd. Er wordt door de evaluatiecommissie eveneens geen rekening gehouden met de bijzondere verdiensten van verzoeker. Wanneer verwerende partij overgaat tot het nemen van een beslissing tot negatieve evaluatie, dient zij daarvoor rechtsgeldige motieven naar voren te brengen. Verwerende partij heeft allerminst aan deze verplichting voldaan.” Beoordeling 17. Wat de materiële- en de formelemotiveringsplicht betreft, beperkt verzoeker zich tot een verwijzing naar het eerste middel. De Raad van State doet hetzelfde. 18. Van een schending van het gelijkheidsbeginsel is sprake wanneer in feite en in rechte gelijke gevallen ongelijk worden behandeld, zonder IX-10.950-11/17 dat daarvoor een objectieve verantwoording bestaat. Het ligt op de weg van de verzoekende partij die de schending van het gelijkheidsbeginsel aanvoert, om in het verzoekschrift met concrete en precieze gegevens aan te tonen waaruit die schending precies bestaat. Zij moet daarbij, in de eerste plaats, de vergelijkbaarheid aantonen van haar eigen situatie met die van anderen en vervolgens waarom de verschillende behandeling daarvan een discriminatie uitmaakt. Verzoeker meent te kunnen volstaan met de loutere bewering dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden. Daarmee komt verzoeker, zo lijkt, niet tegemoet aan de op hem rustende bewijslast. 19. Voorts is de Raad van State van oordeel dat uit het evaluatieverslag, dat de zoneraad bijvalt, op het eerste gezicht blijkt welke evaluatiecriteria werden gehanteerd. Verzoeker toont prima facie niet aan dat deze criteria niet in overeenstemming zijn met de bepalingen inzake evaluatie overeenkomstig de bepalingen van het statuut. Bovendien maakt verzoeker in de huidige stand van de procedure niet aannemelijk dat op de verwerende partij in het kader van het gelijkheidsbeginsel de plicht rust om in een individuele beslissing ten aanzien van verzoeker eigener beweging uiteen te zetten dat ten aanzien van andere personeelsleden dezelfde evaluatiecriteria werden gehanteerd. 20. Het derde middel is niet ernstig. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel 21. In een vierde middel voert verzoeker de schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel. Ter zake zet verzoeker uiteen wat volgt (verwijzingen naar stukken zijn weggelaten): IX-10.950-12/17 “De beslissing werd steeds voornamelijk gebaseerd op het verwijt dat [verzoeker] niet zou geslaagd zijn voor de sportproeven. Zo werd in het evaluatieverslag van 2025 geopperd als zou [verzoeker] in 2025 de sportproeven nog niet hebben afgelegd, zonder geldige reden hiervoor. Alzo zou hij niet voldoen aan de vaktechnische competenties. Deze grond dient ernstig genuanceerd. Tegenpartij heeft zich geenszins geïnformeerd over alle relevante elementen van het dossier, laat staan een volledig onderzoek verricht. Zoals hoger aangehaald, was [verzoeker] gedurende lange tijd afwezig wegens arbeidsongeschiktheid. In juni 2023 werd verzoeker in wedertewerkstelling om medische redenen geplaatst. Het arbeidsregime van [verzoeker] werd aangesteld op 50% van het normale regime (dagshift), met verbod om eerstelijns voertuigen te bemannen. Hierop volgde een detachering (en later een mutatie) van verzoeker naar 1TSG, met als (nieuwe) evaluator SGT [K.V.]. Hoewel terug op de werkvloer, was de gezondheidssituatie van verzoeker verre van optimaal. Verwerende partij was hiervan terdege op de hoogte. Zo gaf hij meermaals aan te kampen met ernstige problemen, gebrek aan zelfvertrouwen, … Niettemin stelde [verzoeker] alles in het werk om de sportproeven tijdig afgewerkt te zien. Zo slaagde hij in november 2025 bijvoorbeeld voor de proef, doch werd deze afgekeurd nu de afnemer niet bevoegd bleek. Met deze feiten werd geen rekening gehouden. De zaken werden evenmin onderzocht.” Beoordeling 22. Verzoeker kan op het eerste gezicht niet worden bijgevallen in zijn stelling dat de bestreden beslissing voornamelijk steunt op het niet slagen voor de sportproeven. In het evaluatieverslag van 12 november 2025 worden bij verschillende taken en competenties kritische opmerkingen geplaatst. Op een schaal ‘onvoldoende’ – ‘matig’ – ‘volgens verwachting’ – ‘boven verwachting’ scoort verzoeker voor veertien gedragscompetenties ‘onvoldoende’ en voor twee ‘matig’. Een van de vier vaktechnische competenties (‘fysieke paraatheid’) wordt ‘niet OK’ beoordeeld en ook de vaktechnische bekwaamheid scoort ‘onvoldoende’. Daarnaast zijn er opmerkingen inzake onaangepast gedrag. De evaluatiecommissie overweegt in haar advies uitdrukkelijk dat het slagen voor een sportproef slechts één van de drie vereisten is wat de ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.267.207 IX-10.950-13/17 operationele inzetbaarheid betreft. Uit dat advies blijkt voorts dat verschillende instructeurs hebben gereageerd en hulp geboden, maar dat verzoeker zelf onvoldoende initiatief heeft genomen zodat (de leiding van) verzoekers compagnie de regie moest overnemen in zijn traject. Verzoekers argumenten ter zake zijn op het eerste gezicht mee in rekening genomen bij het advies van de evaluatiecommissie, zoals bijgevallen in de bestreden beslissing. In dat opzicht is het middel niet ernstig. 23. Voor zover verzoeker doet gelden dat een sportproef niet in aanmerking werd genomen omdat ze werd afgelegd bij een niet bevoegd persoon, moet op het eerste gezicht met de verwerende partij worden vastgesteld dat dit moet worden gesitueerd in november 2023 en geen betrekking heeft op de evaluatiecyclus die het voorwerp uitmaakt van de bestreden beslissing. Dit geldt ook voor het stuk waarnaar verzoeker verwijst met betrekking tot zijn gezondheid. Ook in dat opzicht vertoont het middel niet de vereiste ernst. 24. Verzoeker overtuigt in de huidige stand van de procedure niet ervan dat de bestreden beslissing niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen; het middel is niet ernstig. E. Vijfde middel Uiteenzetting van het middel 25. Verzoeker steunt een vijfde middel op “machtsafwending en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur”. Verzoeker betoogt: “Uit de algemene beginselen van behoorlijk bestuur volgt dat bij het uitoefenen van enige bevoegdheid de desbetreffende overheid alle rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen [behoort] af te wegen. Voor de belanghebbende mogen de nadelige gevolgen van een besluit niet ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.267.207 IX-10.950-14/17 onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Het ondoordacht geven van een definitieve negatieve evaluatie is niet evenredig met het nadeel dat verzoeker door de negatieve beslissing lijdt.” Beoordeling 26. Het is de vaste rechtspraak van de Raad van State dat onder ‘middel’ in de zin van artikel 2, § 1, eerste lid, 3°, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ moet worden verstaan: de voldoende duidelijke omschrijving van de overtreden rechtsregel en van de wijze waarop die regel door de bestreden rechtshandeling wordt geschonden. Voor zover een middel ertoe is beperkt te verwijzen naar “de algemene beginselen van behoorlijk bestuur” is het niet ontvankelijk. 27. Er is sprake van machtsafwending wanneer een overheid de bevoegdheid die haar tot het bereiken van een bepaald oogmerk van algemeen belang is gegeven, gebruikt voor het nastreven van een ander doel. Om tot een nietigverklaring te kunnen leiden, moet het ongeoorloofde oogmerk het enige doel van de bestreden handeling zijn. Niets van dit alles wordt zelfs maar op summiere wijze uiteengezet, laat staan aangetoond. In die mate is het middel eveneens onontvankelijk. 28.1. Niet uit de aanhef, maar uit de uiteenzetting van het middel kan worden begrepen dat verzoeker zich ook beroept op een schending van het redelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Tot een miskenning van die algemene beginselen van behoorlijk bestuur kan slechts worden besloten wanneer een beslissing die op deugdelijke grondslagen steunt, inhoudelijk dermate van het normale beslissingspatroon IX-10.950-15/17 afwijkt dat geen andere overheid in dezelfde omstandigheden die beslissing zou nemen. 28.2. In het evaluatieverslag, zoals bijgetreden door de zoneraad, wordt overwogen dat verzoeker niet voldoet aan het competentieprofiel en de algemene verwachtingen die gelden voor de graad van korporaal en zelfs niet voor een brandweerman. Verzoeker mag het daarmee oneens zijn, maar bij gebrek aan enige nadere uiteenzetting van zijn grief overtuigt hij in de huidige stand van de procedure vooralsnog niet ervan dat de verwerende partij, steunend op die beoordeling, door het toekennen van de beoordeling ‘onvoldoende’ te buiten is gegaan wat nog redelijkerwijze als evenredig te beschouwen is. In dat opzicht is het middel derhalve niet ernstig. 29. Het vijfde middel is, in zoverre ontvankelijk, niet ernstig. F. Besluit 30. Bij gebrek aan een ernstig middel moet de vordering worden afgewezen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. IX-10.950-16/17 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vierentwintig juni tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Jim Deridder, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Jim Deridder IX-10.950-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.267.207