Legislator Rechtsprechung & Gesetzgebung
ECLI:NL:RVS:2025:716 ECLI:NL:RVS:2025:716 KI-generiert

ECLI:NL:RVS:2025:716 · Raad van State

Geschäftsnummer ECLI:NL:RVS:2025:716
Gericht / Behörde
Rechtsordnung Niederlande (NL)
Entscheiddatum

Legislator-Zusammenfassung

KI-generiert

202304376/1/V3. Datum uitspraak: 25 februari 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [vreemdeling 1] en [vreemdeling 2], appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 12 juni 2023 in zaak nr. NL22.24610 in het geding tussen: de vreemdelingen en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 20 juni 2019 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om de vreemdelingen een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.

Legislator-Regeste

KI-generiert

artikel 8 van het EVRM; ECLI:NL:RVS:2025:716 · Raad van State: 202304376/1/V3. Datum uitspraak: 25 februari 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [vreemdeling 1] en [vreemdeling 2], appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 12 juni 2023 in zaak nr. NL22.24610 in het geding tussen: de vreemdelingen en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 20 juni 2019 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om de vreemdelingen een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.

Schlagwörter

KI-generiert
artikel 8 van het EVRM

Zitierte Gesetzesbestimmungen

KI-generiert
artikel 8 van het EVRM
De vreemdelingen klagen in de derde grief over het oordeel van de rechtbank dat de minister de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM niet ten onrechte in het nadeel van de vreemdelingen heeft laten uitvallen.

Zitierte Rechtsprechung

KI-generiert

Fragen Sie sich, wie dieser Entscheid auf Ihren Fall anwendbar ist?

Prüfen Sie diesen Entscheid zusammen mit Bundesrecht, kantonalen Erlassen, Kommentaren und Folgeentscheiden in Legislator AI.

Fall in Legislator öffnen →

Volltext

202304376/1/V3. Datum uitspraak: 25 februari 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [vreemdeling 1] en [vreemdeling 2], appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 12 juni 2023 in zaak nr. NL22.24610 in het geding tussen: de vreemdelingen en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 20 juni 2019 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om de vreemdelingen een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 7 november 2022 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdelingen gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 12 juni 2023 (lees: 13 juni 2023) heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. J. Werner, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1. Wat de vreemdelingen in de eerste en tweede grief hebben aangevoerd, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank.

Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat de grieven geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

2. De vreemdelingen klagen in de derde grief over het oordeel van de rechtbank dat de minister de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM niet ten onrechte in het nadeel van de vreemdelingen heeft laten uitvallen. Gelet op wat de Afdeling in de uitspraak van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188, onder 5 tot en met 5.4, heeft overwogen, slaagt dit betoog niet. De minister heeft zich in deze zaak deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat er tussen de vreemdeling en referent geen familieleven in de zin van artikel 8, eerste lid, van het EVRM bestaat. In die beoordeling heeft hij alle individuele feiten en omstandigheden van de vreemdelingen en referent betrokken. De minister mocht daarom volstaan met de vaststelling dat er geen bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. Dat betekent dat hij in dit geval geen belangenafweging hoefde te maken. De vraag of de belangenafweging deugdelijk heeft plaatsgevonden behoeft daarom geen bespreking. 2.1. De grief slaagt niet.

3. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. M.C. Stoové, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier. w.g. Stoové lid van de enkelvoudige kamer w.g. Vos griffier Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2025 644-1073