Legislator Rechtsprechung & Gesetzgebung
ECLI:NL:RVS:2025:710 ECLI:NL:RVS:2025:710 KI-generiert

ECLI:NL:RVS:2025:710 · Raad van State

Geschäftsnummer ECLI:NL:RVS:2025:710
Gericht / Behörde
Rechtsordnung Niederlande (NL)
Entscheiddatum

Legislator-Zusammenfassung

KI-generiert

Procesverloop Bij bericht van 20 augustus 2024 heeft de minister de Kroatische autoriteiten medegedeeld dat de overdracht van de vreemdelingen niet plaats kan vinden voor 27 augustus 2024, vanwege opschortende werking overeenkomstig artikel 27, derde lid, van de Dublinverordening. Bij uitspraak van 12 november 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroep, niet-ontvankelijk verklaard. Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Legislator-Regeste

KI-generiert

artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 92 van de Vw 2000; ECLI:NL:RVS:2025:710 · Raad van State: Bij uitspraak van 12 november 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroep, niet-ontvankelijk verklaard. Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Schlagwörter

KI-generiert
artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht artikel 92 van de Vw 2000

Zitierte Gesetzesbestimmungen

KI-generiert
artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht
artikel 92 van de Vw 2000

Zitierte Rechtsprechung

KI-generiert

Fragen Sie sich, wie dieser Entscheid auf Ihren Fall anwendbar ist?

Prüfen Sie diesen Entscheid zusammen mit Bundesrecht, kantonalen Erlassen, Kommentaren und Folgeentscheiden in Legislator AI.

Fall in Legislator öffnen →

Volltext

BRS.24.000431 en BRS.24.000432 ECLI:NL:RVS:2025:710 Datum uitspraak: 26 februari 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van: de minister van Asiel en Migratie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 12 november 2024 in zaak nr. NL24.34410 in het geding tussen: [vreemdeling 1] en [vreemdeling 2], mede voor hun minderjarige kinderen, en de minister.

Procesverloop Bij bericht van 20 augustus 2024 heeft de minister de Kroatische autoriteiten medegedeeld dat de overdracht van de vreemdelingen niet plaats kan vinden voor 27 augustus 2024, vanwege opschortende werking overeenkomstig artikel 27, derde lid, van de Dublinverordening. Bij uitspraak van 12 november 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroep, niet-ontvankelijk verklaard. Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. L.M. Straver, advocaat in Utrecht, hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De vreemdelingen hebben een nader stuk ingediend. Overwegingen 1.De minister heeft in beginsel geen belang bij beoordeling van zijn hoger beroep, omdat de rechtbank het beroep van de vreemdelingen niet-ontvankelijk heeft verklaard. In wat de minister heeft aangevoerd, bestaat geen aanleiding om dit belang toch aan te nemen. De overweging van de rechtbank waartegen de grief is gericht, is een door de rechtbank ten overvloede genomen overweging.

Een antwoord op de door de minister opgeworpen rechtsvraag is verder vanuit het oogpunt van de rechtseenheid, de rechtsbescherming of de precedentwerking niet van belang, omdat die rechtsvraag al is beantwoord door de Afdeling in haar uitspraak van 5 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4948, onder 3.1 t/m 3.3. 2.Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. De minister moet de proceskosten vergoeden. Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

II. wijst het verzoek af; III. veroordeelt de minister tot vergoeding van bij de vreemdelingen in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 907,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. D.C.M. van Trappen, griffier. w.g. Sevenster voorzieningenrechter w.g. Van Trappen griffier Uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2025 872-1086